De raad van commissarissen op hoofdlijnen: overall oordeel versus norm/ambitie
Samenvatting
Wenselijke situatie
In de wenselijke situatie krijgt 70 procent van de combinatie benchmark/aandachtsgebied een norm tussen de 8.0 en 9.0 (op de 10-puntsschaal). De overige 30 procent zit tussen 7.0 en 8.0 qua norm. Dit wijst op een grote consensus wat betreft de ambities.
De meeste grote verschillen doen zich voor bij invulling van de toezichthoudende taak en het afleggen van verantwoording door de rvc. In beide gevallen zijn er vier benchmarks die daar een hogere norm hanteren.
Veranderwensen
Voor alle benchmarks samen is het veranderpercentage 30 procent. Voor de bedrijfsbenchmarks in totaal is dat percentage 36 procent. De profit- en non-profitsector wijken daar marginaal van af. Voor de persoonsgebonden profielen is het overall veranderpercentage 27 procent. Daarbij zijn de niet-commissarissen een stuk kritischer dan de commissarissen (46 procent om 19 procent).
Bij de veertien aandachtsgebieden springen er drie uit waarbij sprake is van veel gedeelde verbeterwensen. Dat gaat om de permanente educatie rvc(leden). Daarvan vinden twaalf benchmarks dat verbetering wenselijk is. Bij de samenwerking binnen de rvc geldt dat voor elf benchmarks en bij de samenwerking tussen rvc en rvb voor tien.
Aan de andere kant van het spectrum zien we dat niemand een verbeterwens heeft bij de invulling van de toezichthoudende taak van de rvc en slechts één benchmark (Cult) bij de samenstelling van de rvc (qua competenties en persoonlijke eigenschappen).
Huidige situatie
In de huidige situatie zijn geen aandachtsgebieden waar de meerderheid van de benchmarks een 8.0 of hoger als score geeft. De meeste benchmarks scoren bij de meeste aandachtsgebieden tussen de 7.0 en 8.0.
Onderzoeksvraag
Dit onderdeel van het onderzoek geeft op hoofdlijnen een ‘overzicht’ van de opvattingen van de respondenten over aandachtsgebieden/beoordelingscriteria binnen het commissariaat. Bij de nadere verdieping van de afzonderlijke aandachtsgebieden lijken de respondenten wat kritischer te zijn dan bij deze ‘overall’ waardering.
Bij deze vraag is een 10-puntsschaal gebruikt met 1 = uitermate slecht en 10 = uitmuntend.
2.1 Normen/ambities
.
Normwaarde het hoogst bij invulling werkgeversrol
Basisprofiel
Ook dit jaar ligt de norm voor de afzonderlijke beoordelingscriteria gemiddeld weer boven de 8.0. De gemiddelde waardering is met een 8.1 lager dan die in 2019 (8.4) en 2018 (8.5) en blijft iets achter bij het meerjaren gemiddelde van 8.2.
De hoogste norm ligt bij de ‘invulling van de werkgeversrol’ (8.4). In 2019 stond dit criterium, samen met ‘samenwerking in de rvc’, ook op de eerste plaats. De laagste norm is nog steeds weggelegd voor de invulling van de ambassadeursrol (inclusief relatiebeheer) (7.6).
Grote daling norm voor kennis van organisatie en kwaliteit van kennis
De grootste, bovengemiddelde verschuivingen hebben plaatsgevonden bij de normwaardes voor de ‘kennis bij de rvc van de organisatie/het bedrijf’(- 0.56), ‘kwaliteit van competenties binnen de rvc van kennis’(-0.45) en voor ‘verantwoording door rvc’ (- 0.44). De laatste is daarmee zelfs ruim onder de 8.0 gekomen op 7.8.
Geringere verschuivingen vindt u bij: ‘invulling van de adviesfunctie jegens de rvb’, ‘werkwijze van de rvc’ (beide van 8.4 naar 8.0) en ‘samenwerking in de rvc’(van 8.6 naar 8.2). Verder is bij ‘samenstelling van de rvc’, ‘invulling toezichthoudende taak’, ‘informatievoorziening aan de rvc’, ’permanente educatie rvc (leden)’ de ‘ambassadeursrol/relatiebeheer’ de norm 0.3 lager gezet. Bij de andere aandachtsgebieden zijn de verschillen kleiner.
In vergelijking met 2019 is bij geen enkel aandachtsgebied de norm hoger gezet. De ambitieniveaus voor ‘ambassadeursrol/relatiebeheer’ en ‘verantwoording door de rvc’ zijn als enige aandachtsgebieden duidelijk onder de 8.0 gebleven.
Vergeleken met 2011 vooral hogere norm voor ‘werkgeversrol’ en ‘samenstelling rvc’
Op de langere termijn vallen vooral de verschillen bij de ‘werkgeversrol’ en de ‘samenstelling van de rvc’ op. In 2011 stond de norm voor de ‘werkgeversrol’ nog op een 6.7 en voor de ‘samenstelling van de rvc’ op een 7.1. Dit jaar is dat respectievelijk een 8.4 en een 8.2. Bij de overige aandachtsgebieden zijn de verschillen veel minder groot. De hoogste norm lag destijds bij de ‘informatievoorziening aan de rvc’ (8.7). Overigens geldt voor alle drie dat, vanaf 2012, de normen in de 8.0 of hoger werden gelegd.
Andere benchmarks vergeleken met basisprofiel
.
Weinig grote verschillen met basisprofiel
Bedrijfsbenchmarks
Het overall afwijkingspercentage bij de bedrijfsprofielen is met 13 procent bescheiden en bij de persoonsgebonden profielen met 6 procent schaars.
Bij de bedrijfsbenchmarks heeft de profitsector zeven hogere ambities. MKB en Fam leggen zowel bij de toezichthoudende taak als bij het verantwoording afleggen door de rvc de lat hoger dan het basisprofiel. Het MKB legt de lat ook hoger bij de adviesfunctie jegens de rvb en Fam bij de kennis van rvc van de organisatie/het bedrijf en bij de invulling van de ambassadeursrol.
Bij de non-profitsector is het overall percentage grote afwijkingen 10 procent. Zowel Zorg als OW hebben een hogere norm neergelegd bij de invulling van de toezichthoudende taak en de eerste benchmark ook bij het afleggen van verantwoording door de rvc. De overige non-profitbedrijven hebben de lat juist lager gelegd bij de samenwerking in de rvc en bij de kennis van de rvc van de organisatie/het bedrijf en de culturele instellingen bij de permanente educatie van rvc (leden).
.
Alleen secretaris verschillen
Persoonsgebonden benchmarks
Bij de persoonsgebonden benchmarks kent alleen de secretaris grote verschillen in ambitieniveau. Deze benchmark legt de norm op drie gebieden hoger: ‘kwaliteit van competenties ten aanzien van kennis’, ‘kennis van het bedrijf’ en ‘afleggen van verantwoording’.
Gedeeld zijn van ambities
De meeste, grote, verschillen doen zich voor bij ‘invulling van de toezichthoudende taak’ en het ‘afleggen van verantwoording door de rvc’. In beide gevallen zijn er vier benchmarks die daar een hogere norm hanteren. Bij alle andere aandachtsgebieden is dat minder. Dit wijst op een grote consensus wat betreft de ambities.
2.2 Veranderwensen en huidige kwaliteit
.
Verbetering bij drie aandachtsgebieden gewenst
Basisprofiel
Het basisprofiel heeft dit jaar bij drie aandachtsgebieden verbeterwensen. De samenwerking in de rvc, de permanente educatie van de rvc(leden) en de samenwerking tussen de rvc en rvb moet beter.
Met deze drie zit 2022 redelijk in het midden als we kijken naar eerdere jaren. Alleen in 2014 en 2019 met vijf en 2017 met zes werden meer verbeterwensen geventileerd. De andere jaren (vanaf 2011) was het aantal verbeterwensen nul of één.
.
Overall veranderpercentage 30 procent
Andere benchmarks
Voor alle benchmarks samen is het veranderpercentage 30 procent. Voor de bedrijfsbenchmarks in totaal is dat 36 procent en dat geldt ook min of meer voor de profit en non-profitsector.
Voor de persoonsgebonden profielen is het overall veranderpercentage 27 procent. Daarbij zijn de niet-commissarissen een stuk kritischer dan de commissarissen (46 procent om 19 procent).
.
Fam bij profitsector meeste veranderwensen
Bedrijfsbenchmarks
In de profitsector heeft Fam met elf de meeste veranderwensen. De andere drie hebben er met twee tot vier beduidend minder. Bij vier aandachtsgebieden delen telkens drie benchmarks de verbeterwensen. De permanente educatie van de rvc (leden) is voor Fam een urgente verbeterwens en voor het basisprofiel en voor GB een forse verbeterwens. De samenwerking tussen de rvc en rvb en de samenwerking binnen de rvc kan bij het basisprofiel, GB en Fam beter en de informatievoorziening aan de rvc bij GB, MKB en Fam.
Cult en OW bij non-profitsector meeste veranderwensen
In de non-profitsector zijn vooral Cult en OW ontevreden. Bij respectievelijk tien en acht van de veertien genoemde aandachtsgebieden zijn verbeterwensen geformuleerd. Corp en Zorg hebben beide slechts één verbeterwens.
Door zowel Zorg, OW als Cult gedeeld is de verbeterwens bij de permanente educatie van rvc(leden).
.
Jong en VR meest kritisch
Persoonsgebonden benchmarks
Bij de commissarissen zijn de verbeterwensen over het algemeen schaarser. Merv en VZ hebben er slechts één, AC drie en Jong en VR beide vier. Zowel bij de permanente educatie rvc (leden) als bij de samenwerking in de rvc zijn telkens vier benchmarks die daar een verbeterwens hebben. Bij het eerste aandachtsgebied zijn dat VZ, AC, Jong en VR en bij het tweede aandachtsgebied zijn dat AC, Jong, VR en Merv. Verder vinden AC, Jong en VR dat ook de samenwerking tussen rvc en rvb beter kan.
De secretaris heeft zeven verbeterwensen en de directie zes. Beide delen verbeterwensen bij vier aandachtsgebieden: bij de samenwerking binnen de rvc, bij de kwaliteit van competenties ten aanzien van kennis, de kennis bij de rvc van de organisatie/het bedrijf en bij de permanente educatie rvc (leden). Verder opvallend verder is dat directie aangeeft dat de rvc ook de werkgeversrol beter kan invullen.
Gedeelde veranderwensen
Meest gedeeld permanente educatie en samenwerking
Bij de veertien aandachtsgebieden springen er drie uit waarbij sprake is van veel gedeelde verbeterwensen. Dat gaat om de permanente educatie van de rvc(leden). Daarvan vinden twaalf benchmarks dat verbetering wenselijk is. Bij de samenwerking binnen de rvc geldt dat voor elf benchmarks en bij de samenwerking tussen rvc en rvb voor tien.
Aan de andere kant van het spectrum zien we dat niemand een verbeterwens heeft bij de invulling van de toezichthoudende taak van de rvc en slechts één benchmark (Cult) bij de samenstelling van de rvc (qua competenties en persoonlijke eigenschappen).
Huidige situatie
In totaal voor slechts 13 procent van de opties score ≥ 8.0
In de huidige situatie zijn geen aandachtsgebieden waar de meerderheid van de benchmarks een 8.0 of hoger als score geeft. De meeste benchmarks scoren bij de meeste aandachtsgebieden tussen de 7.0 en 8.0.
In totaal heeft slechts 13 procent van de opties een score ≥ 8.0.In de wenselijke situatie is dat bijna vijf keer zoveel, 70 procent. Wanneer we de grens bij een score van 7.0 leggen, scoort in de huidige situatie 90 procent boven die grens tegen 100 procent in de wenselijke situatie.
Lagere scores dan 7.0 komen primair voor bij de permanente educatie rvc (leden) en bij de samenwerking in de rvc. Waarbij Cult (5.6) de laagste scores geeft bij de permanente educatie rvc (leden) en de secretaris (7.0) bij de samenwerking in de rvc.
.
Relatiebeheer rvc beter gewaardeerd, samenwerking in rvc juist minder
Vergelijking voor basisprofiel met 2019 en eerder
De overall gemiddelde score is net zo laag als in 2014 en dat betrof tot dit jaar de laagste score voor de huidige situatie.
In vergelijking met 2019 zijn er twee grote verschillen. De score voor de samenwerking in de rvc is een vol punt gezakt, van een 8.1 naar 7.1. De invulling van de adviesfunctie is 0.7 punt gezakt van een 8.1 naar een 7.4. De invulling van de ambassadeursrol is, daarentegen gestegen met 0.46.
In vergelijking met 2016 is sprake van vier grote verschillen. Dit jaar zijn in scores de samenwerking tussen de rvc en rvb, de samenwerking in de rvc en de informatievoorziening aan de rvc gezakt. De score voor de ambassadeursrol/het relatiebeheer met derden is, ook in vergelijking met 2016, juist gestegen, van een 6.7 naar een 7.5.
2.3 Enige bespiegelingen/vragen/kanttekeningen
Zorgt digitalisering van contacten voor een samenwerkingsissue?
Zelden geeft het beursgenoteerde bedrijf aan dat de samenwerking in de rvc beter kan.Alleen in 2020 en in 2012 zagen we dat. Iets soortgelijks geldt voor de samenwerking tussen de rvc en rvb. Alleen in 2017 en in 2014 was dat een verbeterwens. De combinatie van én een verbeterwens voor de samenwerking in de rvc én een verbeterwens voor de samenwerking tussen de rvc en rvb zien we echter voor het eerst. We vragen ons af of het toeval is dat bij beide aandachtsgebieden tegelijkertijd een verbeterwens is geventileerd. En of het toeval is dat niet alleen het beursgenoteerde bedrijf beide als verbeterwens aanmerkt, maar dat men het breed deelt. Veel commissarissen verzuchtten al eerder dat zij in de coronaperiode duidelijk de fysieke contacten, waaronder ook de bedrijfsbezoeken, misten. Kan het zijn dat men bij meer digitaal overleg de onmisbare toegevoegde waarde van (oog voor) non-verbale communicatie en informele bilateraaltjes buiten de vergadering mist? Is het een toenemende druk die zorgt voor meer onderlinge irritatie in de rvc en tussen de rvc en rvb? Of zijn het de nieuwe collega’s die alleen digitaal een onboarding gevolgd hebben, die in de praktijk toch anders communiceren dan verwacht? Wordt/is er wel voldoende geïnvesteerd in de sociale dimensie van het als mensen kunnen en willen samenwerken?
Wat kunnen onderwijs en cultuur leren van de woningcorporatie en zorg?
Zwartwit. Zo kunnen we de verhouding tussen het aantal verbeterwensen, met aan de ene kant de woningcorporatie en zorg en aan de andere kant het onderwijs en de culturele instelling, wel schetsen. De eerste twee hebben beide één verbeterwens terwijl de laatste twee er respectievelijk acht en tien hebben. De enige drie aandachtsgebieden waar het onderwijs en de culturele instelling beide tevreden over zijn, zijn de werkwijze van de rvc, de kennis bij de rvc van de organisatie en de invulling van de toezichthoudende taak door de rvc. Wij vragen ons af of de al langer lopende en relatief minder vrijblijvende structurerende governance ontwikkelingen en best practices vanuit de betrokken sectororganisaties én het hebben van een vorm van extern toezicht in grote mate verantwoordelijk zijn voor de geconstateerde verschillen tussen deze sectoren. Permanente educatie is bijvoorbeeld zo’n aandachtspunt dat bij de VTW en de NVTZ niet alleen al jaren op de agenda staat, maar vanwege de te behalen PE-punten niet meer zo vrijblijvend is als in het verleden. Het gevaar is wel aanwezig dat als de PE-verplichting laag is ten opzichte van de noodzakelijke PE, men wel scoort op het voldoen aan de regel, maar niet aan de vraag van de praktijk.
We kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat met een goede zelfevaluatie door de rvc (met betrokkenheid van niet-rvc-leden als directie, secretaris, OR, et cetera) onder begeleiding van een bekwame externe evaluator veel van deze punten op tafel komen. Vervolgens kan men dan een plan van aanpak mét tijdsplan, het aanwijzen van projecteigenaren en monitoringrapportage opstellen om gewenste en noodzakelijke verbeteringen aan te brengen.
Samenstelling prima, samenwerking niet. Is de rvc schizofreen?
Een opmerkelijk situatie doet zich voor: van de 16 benchmarks is er slechts één die vindt dat de samenstelling van de rvc beter kan qua competenties en persoonlijke eigenschappen (culturele instelling). Tegelijk zijn er elf van de zeventien die vinden dat de samenwerking binnen de rvc beter kan. Daar lijkt ons een discrepantie te zitten. Als het niet aan de vakkennis en de persoonlijke eigenschappen van de commissarissen ligt, waar ligt het dan aan? Zien we in deze resultaten ook hier weer de gevolgen van de coronacrisis weerspiegelt? Te veel nieuwe commissarissen die men alleen kent van het digitaal onboarden? Als we kijken naar de redenen die respondenten gaven voor verschillen tussen norm en score, zien we daar opvallend vaak de woorden ‘afstemming’ en ‘team’ in terugkeren: afstemmen van verwachtingen, beter onderling afstemming en informeren, alignment, meer samenwerken buiten vergadering, meer tijd nemen om elkaar te leren kennen en begrijpen en elkaar meer waarderen; verschillende visies accepteren en van de rvc één team maken zijn enkele van de 64 redenen die respondenten gaven. Maar kan het misschien ook zijn dat wat betreft de samenstelling van de rvc de rvc-leden wel kijken, maar niet zien?
Kijkt rvc van beursgenoteerd bedrijf serieus naar verantwoording afleggen aan relevante stakeholders?
Vergeleken met het meerjarengemiddelde valt op dat bij het beursgenoteerd bedrijf de normwaarden voor invulling van de toezichtstaak, de informatievoorziening aan de rvc en het afleggen van verantwoording door de rvc in ’22 fors lager zijn komen te liggen. Wij vermoeden dat gedeeltelijk meespeelt dat er in het verleden het nodige werk is verricht op deze gebieden en zeker ten aanzien van de toezichtstaak bij commissarissen misschien het beeld is, dat er echt niets meer beter kan. Dit blijkt ook uit het ontbreken van veranderwensen bij dit onderdeel van het onderzoek. Ten aanzien van de informatievoorziening aan de rvc hebben zeven benchmarks een verbeterwens en bij het afleggen van verantwoording door de rvc gaat dit op voor slechts vier benchmarks. Hebben commissarissen zich wel eens afgevraagd of de informatie die zij zelf verstrekken in het kader van hun verantwoording afleggen wel adequaat is? Commissarissen worden toch geacht bij de invulling van hun commissariaat rekening te houden met alle relevante stakeholders? Overigens zijn er op het gebied van relevante stakeholders in de loop van de jaren de nodige ontwikkelingen geweest en komen er nog de nodige. Een commissaris is net een mens. We treffen dan ook allerlei variaties aan van wie de afzonderlijke commissaris tot de relevante groep stakeholders rekent. Dit maakt het schrijven van een verslag van de rvc, het basisdocument voor het afleggen van verantwoording aan de stakeholders, er niet gemakkelijker op. U mag verwachten dat in het verslag van een rvc staat hoe een rvc invulling heeft gegeven aan het commissariaat en hoe de rvc ervoor zorgt dat ze haar eigen houdbaarheidsdatum niet overschrijdt. Op deze gebieden blijken rvc’s er veel interpretaties op na te houden. Wij vragen ons af of commissarissen bij de invulling van hun ambassadeursrol in gesprek gaan met vertegenwoordigers van de diverse stakeholders en of ze dan ook vragen of deze stakeholders het verslag van de rvc kennen, gelezen hebben en begrijpen. Wij vrezen het ergste. In dit verband stellen de relatief lage normwaarden voor de invulling van de ambassadeursrol (inclusief relatiebeheer) en het afleggen van verantwoording door de rvc met als enige 2 aandachtsgebieden met een score duidelijk onder de 8.0, ons niet gerust. Ziet de commissaris de stakeholders wel staan of alleen maar een klein deel ervan en dan nog op heel grote afstand? En wat betekent dat voor het kunnen en willen rekening houden met de belangen van alle relevante stakeholders in de vergaderingen van de rvc? Zou de commissaris echt weten hoe een klant, medewerk(st)er of toeleverancier eruitziet? Of kent de commissaris alleen de institutionele belegger en dan met name een speciaal slag Angelsaksische?