Spring naar inhoud

Fraude

Samenvatting

In dit deel van het onderzoek gaan we in op frauderisicoanalyse: moet een organisatie of een externe die wel of niet opstellen? Verder zijn we benieuwd of de rvc en rvb fraude als prioriteit op de beleidsagenda zien en of men vindt dat de accountant bekwaam genoeg is om fraude te detecteren. Als laatste waren we ook benieuwd of fraude voor de rvc een belangrijk bespreekpunt met de accountant is.


Wenselijke situatie
Het basisprofiel is het er volstrekt mee eens dat fraude een belangrijk bespreekpunt van de rvc met de accountant moet zijn, dat de accountant bekwaam moet zijn om fraude te detecteren en dat de organisatie over een door een externe opgestelde frauderisicoanalyse moet beschikken. Het basisprofiel is het er verder duidelijk mee eens dat de organisatie over een door de organisatie zelf opgestelde frauderisicoanalyse moet beschikken en dat de rvc en de rvb fraude als prioriteit op de beleidsagenda moeten zien.

Deze overtuigende mate van instemming/wenselijkheid van het basisprofiel volgen de andere benchmarks maar deels. GB en MKB volgen het basisprofiel/beursgenoteerde bedrijf in grote mate, maar dat geldt veel minder voor de non-profitbenchmarks. Vooral bij Zorg en OW zijn die verschillen groot. Beide zijn niet overtuigt dat rvc en rvb fraude als prioriteit op de beleidsagenda moeten zien. Ook ziet Zorg de inzet van een externe die een frauderisicoanalyse maakt niet echt zitten. Ook Corp en ONP zijn het daar maar min of meer mee eens.
Als we kijken naar de persoonsgebonden benchmark, dan zien we dat de commissarissenbenchmarks in grote lijnen het basisprofiel volgen en dat de afwijkingen vooral bij DIR en IA te vinden zijn. Met name de lage wenselijkheid van de prioritering van fraude door rvc en rvb valt bij DIR op. Van een door een externe opgestelde frauderisicoanalyse is DIR maar net aan overtuigd.

Veranderwensen
Voor alle benchmarks gezamenlijk is het veranderpercentage met 57 procent hoog. Het zwaartepunt daarvan ligt bij de bedrijfsbenchmarks, vooral bij het MKB (bij alle zes) en bij het beursgenoteerde bedrijf (basisprofiel). Bij de persoonsgebonden benchmarks zien we dat vooral de jongere commissaris veel verbeterwensen heeft (5). Dat staat in schril contrast met de minder ervaren commissaris (0) en de commissaris die tevens lid is van de auditcommissie (1) of tevens lid is van de remuneratiecommissie (1).
De meest gedeelde veranderwensen, zijn dat de organisatie beschikt over een door externe opgestelde frauderisicoanalyse (12 benchmarks), dat de rvb fraude als prioriteit op de beleidsagenda ziet (11 benchmarks) en dat de rvc fraude als prioriteit op de beleidsagenda ziet (10 benchmarks).
De enige stelling met weinig veranderwensen (2) is dat fraude voor de rvc een belangrijk bespreekpunt met de accountant is. Bij de meeste organisaties is dit een standaard agendapunt.

Huidige situatie
Bij het basisprofiel vallen alleen de stellingen dat de accountant bekwaam genoeg is om fraude te detecteren en de stelling dat fraude voor de rvc een belangrijk bespreekpunt met de accountant is in de klasse duidelijk mee eens qua instemming. In de klasse min of meer mee eens vinden we de andere vier onderwerpen waarbij de score voor de rvb ziet fraude als prioriteit op de beleidsagenda het laagst is.
Bij slechts twee van de zes stellingen is meer dan de helft van de benchmarks het minimaal duidelijk eens. Dat zijn dezelfde twee stellingen als bij het basisprofiel. Tussen deze twee zit overigens alsnog een groot verschil. 71 procent van de benchmarks is het duidelijk eens met dat de rvc fraude een belangrijk bespreekpunt met de accountant is. Dat geldt bij de stelling over bekwaamheid voor 53 procent.

Onderzoeksvraag

Aan de respondenten hebben we zes aan fraude gerelateerde stellingen voorgelegd. Dit is de eerste keer dat we deze stellingen voorleggen. We hebben daarom geen vergelijkingsmateriaal uit eerdere jaren.

Gebruikt is de 5-puntsschaal met 1 = volstrekt oneens, 2 = oneens, 3 = deels oneens/deels eens, 4 = eens en 5 = volstrekt mee eens.

9.1 Wenselijke situatie fraudeaspecten

.

Basisprofiel: alle zes (zeer) gewenst

Gewenste situatie basisprofiel

Bij het basisprofiel zitten drie stellingen in de klasse met de hoogste mate van instemming volstrekt eens (score ≥ 4.5): dat fraude een belangrijk bespreekpunt van de rvc met de accountant is, dat de accountant bekwaam is om fraude te detecteren en dat de organisatie beschikt over een door een externe opgestelde frauderisicoanalyse. Wij vragen ons hierbij af of de externe specialist ook een accountant moet zijn of dat hiervoor andere specialisten moeten worden ingeschakeld.

De andere drie stellingen zitten net een klasse daaronder qua instemming, in de klasse duidelijk mee eens (4.0 ≤ score < 4.5).

Draagvlak: hoe breed delen de benchmarks de wenselijkheid?

Redelijke mate van overeenstemming onder de benchmarks

De procentueel meest gedeelde opvattingen (score vaak > 4.0) door de benchmarks zijn:

  • De accountant is bekwaam als het gaat om fraude detecteren (93 procent eens)
  • Fraude is voor de rvc een belangrijk bespreekpunt met de accountant (86 procent eens)
  • Mijn organisatie beschikt over een zelf opgestelde frauderisicoanalyse (53 procent eens)
  • Mijn organisatie beschikt over een door een externe opgestelde frauderisicoanalyse (53 procent eens)

Het lijkt ons dat fraude niet een topprioriteit is, maar meer in de categorie valt van een ‘hygiënefactor’, waaraan voldaan moet zijn/die op orde moet zijn.

.

Overall afwijkingspercentage hoog bij non-profitsector en niet-commissarissen

Andere benchmarks vergeleken met het basisprofiel

Overall is het afwijkingspercentage substantieel bij de bedrijfsbenchmarks (52 procent). Dat komt voornamelijk vanuit de non-profitsector met 68 procent. Voor de profitsector is het percentage met 25 procent lager. Het overall afwijkingspercentage bij de persoonsgebonden benchmarks is met 32 procent lager.

Andere benchmarks vergeleken met het basisprofiel

.

Slechts één materieel verschil bij GB

Bedrijfsbenchmarks

Bij de profitsector is sprake van een redelijke mate van overeenstemming met het basisprofiel. Alleen GB heeft een materieel verschil en is net iets minder enthousiast over een externe die een frauderisicoanalyse gaat maken.

Zorg en OW veelal minder instemming

In de non-profitsector zien we meer materiële afwijkingen van het basisprofiel die allen negatief van aard zijn. Zorg wijkt vier keer af, ONP drie keer en Corp en OW elk twee keer. Vooral bij Zorg en OW zijn die verschillen groot. Beide zijn niet overtuigd dat rvc en rvb fraude als prioriteit op de beleidsagenda moeten zien. Ook ziet Zorg de inzet van een externe die een frauderisicoanalyse maakt niet echt zitten. Ook Corp en ONP zijn het daar maar min of meer mee eens. Overigens is Zorg ook veel meer terughoudend met het zelf opstellen van een frauderisicoanalyse.

.

Redelijk grote instemming met basisprofiel door commissarissen. Niet-commissarissen vinden veel aspecten minder wenselijk

Persoonsgebonden benchmarks

Bij de persoonsgebonden benchmarks bij de commissarissen zien we minder materiële afwijkingen. Alleen VZ (2 keer) en Merv (1 keer) hebben een materieel verschil met het basisprofiel. De afwijkingen zijn negatief. VZ heeft wat minder affiniteit met de frauderisicoanalyses en Merv met fraude als prioriteit op de rvc-beleidsagenda.

Dat geldt niet voor het aantal afwijkingen bij de niet-commissarissen. Die zijn fors. DIR heeft bij vier stellingen minder instemming dan het basisprofiel, de internal auditor bij drie stellingen. Met name de lage wenselijkheid van de prioritering van fraude door rvc en rvb valt bij DIR op. Van een door een externe opgestelde frauderisicoanalyse is DIR maar net aan overtuigd (3.3).
Ook IA loopt hiervoor minder warm. Verder heeft IA iets meer reserve bij de betrokkenheid van de accountant in het proces rond fraude. Wellicht is hier deels sprake van wat ‘jalousie de métier’ of gezien de veronderstelde kwaliteiten bij IA op dit gebied een wat meer professionele kritische instelling.

Hoe kijkt de vicevoorzitter hier zelf naar? Bij de meeste stellingen (10 van de 15) is de score in elk geval materieel afwijkend van het basisprofiel, en die gevallen betekent dat ook vaker instemming (9 van de 10), dan bij het basisprofiel. Hij is het er volstrekt mee eens dat de rol duidelijk moet worden ingevuld en duidelijk eens dat het functioneren van de vicevoorzitter periodiek wordt geëvalueerd, dat de vicevoorzitter gezamenlijk door de rvc moet worden gekozen, als klankbord fungeert voor de voorzitter en een spilfunctie moet hebben bij de (jaarlijkse) evaluatie van de voorzitter van de rvc. Min of meer mee eens dat hij het aanspreekpunt moet zijn voor commissarissen als het gaat over het functioneren van de voorzitter van de rvc, dezelfde informatiepositie heeft als de voorzitter, geschikt moet zijn als permanente opvolger van de rvc en verantwoording moet afleggen aan zijn collega’s in de rvc. Bij alle zojuist genoemde stellingen zit de vicevoorzitter een klasse hoger qua instemming. Alleen bij het deelnemen aan overleggen van de voorzitter en de ceo meent de vicevoorzitter zelf dat dit geen goed idee is. Deze opvatting treffen wij ook aan bij VZ, AC, Merv en rvbEL. Alleen Jong en VR geven blijk van een tegengestelde opvatting.

9.2 Veranderwensen en huidige situatie

.

Urgente verbeterwens bij extern opgestelde frauderisicoanalyse

Basisprofiel

Het basisprofiel heeft geen verbeterwens voor fraude als bespreekpunt met de accountant. Dat is zeker bij beursgenoteerde bedrijven inmiddels standaard een te adresseren onderwerp. Bij alle andere stellingen is sprake van verbeterwensen waarbij die voor een door een externe opgestelde frauderisicoanalyse urgent is.

Andere benchmarks

Hoog overall veranderpercentage

Voor alle benchmarks gezamenlijk is het veranderpercentage met 57 procent hoog. De scores van die veranderingen liggen in de wenselijke situatie niet allemaal boven de 3.2. Dat betekent dat een deel ook bespreekbare punten zijn (score < 3.2). Voor de bedrijfsbenchmarks in totaal is het percentage 81 procent. De profitsector heeft een iets hoger veranderpercentage dan de non-profitsector (83 om 78 procent).
Voor de persoonsgebonden benchmarks is het overall veranderpercentage 41 procent, waarbij de commissarissen en niet-commissarissen uit elkaar liggen met respectievelijk 36 en 58 procent.

.

Bij bijna alle stellingen door alle drie benchmarks verbeterwensen aangegeven

Bedrijfsbenchmarks

In de profitsector hebben het beursgenoteerde bedrijf en GB respectievelijk vijf en vier verbeterwensen en MKB zelfs zes. Voor alle drie kunnen de zelf of door een externe opgestelde risicoanalyse beter. Ook het gevoel van prioriteit van fraude op de beleidsagenda door rvc en rvb kan beter. Het beursgenoteerde bedrijf en het MKB vinden dat de accountant bekwamer zou mogen worden in het detecteren van fraude. De vraag daarbij is wel of het om de inhoudelijke bagage gaat of om de uitvoering van de fraudedetectie. Voor het MKB moet fraude voor de rvc een belangrijker bespreekpunt worden met de accountant.

Urgent voor het beursgenoteerde bedrijf en voor MKB is dat de organisatie een externe inschakelt voor het opstellen van een frauderisicoanalyse. Voor het MKB geldt ook het door de rvb zien van fraude als prioriteit op de beleidsagenda als een urgente verbeterwens.

Ook bij de benchmarks in de non-profitsector zien we veel veranderwensen, die veelal gedeeld worden. Corp en ONP hebben er beide vier, Zorg en OW beide drie.1In tegenstelling tot de profitsector zitten hier echter ook veel bespreekbare punten tussen. Voor zowel Zorg als OW is dat de rvc fraude als prioriteit op de beleidsagenda ziet zo’n, urgent, bespreekbaar punt. Voor Zorg geldt dat ook voor de rvb

Urgent voor Corp en ONP is de verbeterwens bij de stelling dat de organisatie beschikt over een door een externe opgestelde frauderisicoanalyse. Voor ONP is ook de stelling ‘de rvb ziet fraude als prioriteit op de beleidsagenda’ een urgente verbeterwens. Voor Zorg geldt dat voor de stelling ‘de organisatie beschikt over een zelf opgestelde frauderisicoanalyse’. Voor OW voor dat de rvb fraude als prioriteit op de beleidsagenda ziet.

1 Waarbij als we de waarnemingsgrens bij acht leggen, Zorg vier veranderwensen heeft en OW vijf.

.

Vooral Jong en rvbELveel verbeterwensen

Persoonsgebonden benchmarks

Bij de commissarissen is het aantal veranderwensen veel minder talrijk. Koploper is Jong met vijf, gevolgd door rvbEL met vier. VZ en VR hebben er beide twee en de rest heeft er één of nul. Op Merv na is bij de rest de stelling over de organisatie die over een door een externe opgestelde frauderisicoanalyse beschikt een (urgente) verbeterwens. Een door de organisatie zelf opgestelde frauderisicoanalyse is bij VZ, Jong en rvbEL een verbeterwens. Bij ‘de accountant is bekwaam als het gaat om fraude detecteren’ geldt dat voor Jong, VR en rvbEL.

DIR geeft tegengesteld signaal af wat betreft prioritering fraude

Bij de niet-commissarissen zien we een opvallend signaal van DIR. Deze geeft aan dat de rvc en rvb juist wat minder prioritering op de beleidsagenda zouden moeten geven aan fraude. Misschien is dit een signaal dat in de vergadering teveel een soort risicomijdend gedrag de overhand krijgt samen met andere risico-beheersende maatregelen. En dat een meer opportunity gerichte oriëntatie, aansluitend bij de business, te weinig aandacht krijgt. Verder heeft deze benchmark een urgente verbeterwens bij de stelling ‘mijn organisatie beschikt over een door een externe opgestelde frauderisicoanalyse’. Zij het dat de instemming in de wenselijke situatie maar net boven de 3.2 ligt. Hier lijkt misschien een kosten beheersend aspect de overhand te hebben en misschien onvoldoende oog voor de opportunity costs van ‘in casu het niet hebben van een goede frauderisicoanalyse’.

IA is van mening dat de rvc en de rvb fraude wat meer als prioriteit op de beleidsagenda zouden moeten zien en dat de accountant wat bekwamer zou mogen zijn deze te detecteren en dat fraude een belangrijker bespreekpunt zou moeten zijn in het gesprek tussen rvc en accountant.

.

Zeer veel gedeelde veranderwensen

Gedeelde veranderwensen

Bij drie van de zes stellingen hebben minstens tien benchmarks een veranderwens. Dat zijn dat de organisatie beschikt over een door externe opgestelde frauderisicoanalyse (12), dat de rvb fraude als prioriteit op de beleidsagenda ziet (11) en dat de rvc fraude als prioriteit op de beleidsagenda ziet (10).
De enige stelling met weinig veranderwensen (2) is dat fraude voor de rvc een belangrijk bespreekpunt met de accountant is. Bij de meeste organisaties is dat een standaardvraag/-onderwerp geworden in het gesprek met de controlerende accountants. En waar dat niet zo is, moet dat beslist een punt van aandacht zijn.

Huidige situatie

Veel instemming door basisprofiel bij de zes stellingen

Bij het basisprofiel vallen alleen de stellingen dat de accountant bekwaam genoeg is om fraude te detecteren en de stelling dat fraude voor de rvc een belangrijk bespreekpunt met de accountant is in de klasse duidelijk mee eens qua instemming.
In de klasse min of meer mee eens (3.5 ≤ score < 4.0) vinden we de andere vier onderwerpen waarbij de score voor de rvb ziet fraude als prioriteit op de beleidsagenda met een 3.6 het laagst is.

 

In de huidige situatie is bij slechts twee van de zes stellingen meer dan de helft van de benchmarks het minimaal duidelijk eens. Dat betreft, net zoals bij het basisprofiel, de stellingen dat de accountant bekwaam genoeg is om fraude te detecteren en de stelling dat fraude voor de rvc een belangrijk bespreekpunt is met de accountant. Tussen deze twee zit overigens alsnog een groot verschil. 71 procent van de benchmarks is het duidelijk eens met dat de rvc fraude een belangrijk bespreekpunt met de accountant is, dat geldt bij de stelling over bekwaamheid voor 53 procent.

In totaal 24 procent van de opties score ≥ 4.0

In totaal heeft 24 procent van de opties een score ≥ 4.0. In de wenselijke situatie is dat 59 procent. Wanneer we de grens bij een score van 3.5 leggen, scoort in de huidige situatie 64 procent boven die grens tegen 91 procent in de wenselijke situatie.

Lagere scores dan 2.8 (oneens tot en met volstrekt oneens) komen acht keer voor. Dat betreft de score van Zorg en OW bij de prioritering door rvc en rvb van fraude op de beleidsagenda en bij Corp, ONP en DIR voor een door een externe opgestelde frauderisicoanalyse.
Dat zijn ook de stellingen met gemiddeld (rond de 3.0) over alle benchmarks gemeten de laagste scores.

9.3 Enige bespiegelingen/vragen/kanttekeningen

Is de externe accountant wel de geschikte persoon om fraude te detecteren?

Dat is in elk geval voor de internal auditor een terechte vraag.Nu zal beroepseer ook wel een rol spelen, maar de instemming, dat de accountant bekwaam genoeg is om fraude te detecteren, is bij deze benchmark vrij laag in de huidige situatie. De laagste instemming van alle benchmarks om precies te zijn. Niet gek dat hier dan ook een forse verbeterwens te vinden is. De commissaris die in de auditcommissie zit, heeft geen verbeterwens geformuleerd en kan zich juist duidelijk vinden in de stelling dat de accountant bekwaam genoeg is. Dat roept de vraag op of, ten aanzien van dit onderwerp, de auditcommissie voldoende input ophaalt bij de internal auditor als het gaat over het functioneren van de externe accountant. Het kan ook zijn dat dit onderwerp nog niet zo expliciet is meegenomen in de beoordeling van de externe accountant en dat auditcommissie en internal audit nog onbekend zijn met elkaars mening over de bekwaamheid van de accountant van het detecteren van fraude.
Het roept ook de vraag op of de internal auditor van mening is dat de externe accountant nog wel wat training en opleiding kan gebruiken om fraude goed te kunnen detecteren.
1 Doet de externe accountant fraude er maar een beetje bij in zijn/haar ogen? Of mist de betrokken controlerende accountant de feeling met de organisatie hoe een en ander in de praktijk operationeel gaat?

Overigens zien we bij de bedrijfsbenchmarks bij de woningcorporatie ook een niet al te hoge instemming in de huidige situatie en een forse verbeterwens als resultante.

1 De AFM is die mening inmiddels toegedaan en NBA en SRA willen de handschoen oppakken. https://www.accountant.nl/nieuws/2025/1/afm-wil-dat-accountants-beter-controleren-op-frauderisicos-de-volgende-keer-blijft-het-niet-bij-waarschuwen/ en https://www.accountant.nl/nieuws/2025/1/nba-teleurgesteld-over-uitkomsten-afm-rapport-over-frauderisicos/

Fraude voor rvc en rvb een prioriteit op de beleidsagenda? In elk geval niet in de zorg en welzijn en onderwijs

De verschillen tussen of rvc en/of rvb fraude als een prioriteit op de beleidsagenda zien, zijn minimaal. De verschillen tussen het beursgenoteerde bedrijf aan de ene kant en andere organisaties aan de andere kant zijn aanzienlijk. Zeker de verschillen met zorg en welzijn en onderwijs. Het beursgenoteerde bedrijf is het min of meer mee eens dat men prioriteit geeft aan fraude. Zowel bij zorg en welzijn als bij onderwijs is dat niet het geval en zien we een tegengestelde mening. Totaal geen prioriteit. De resultaten van ons onderzoek staan qua verhouding profitsector versus non-profitsector enigszins haaks op de resultaten van een onderzoek van BDO van twee jaar geleden. Daaruit bleek dat ruim 60 procent van de organisaties in de publieke sector en 48 procent van de private bedrijven een beleid op fraude hebben ontwikkeld.1 Andere interessante vragen die daar aan de orde kwamen waren: “Hoe gaan organisaties om met hun eigen fraudebeleid en frauderisicoanalyse? Werken ze samen met tussenpersonen (agenten)? En, zijn ze voorbereid op een fraude-incident?” De onderzoekers wijzen daar ook op de belangrijke rol die een raad van commissarissen kan vervullen in dit kader “met name omdat een goede raad van commissarissen een bestuur ook uitdaagt en prikkelt op onderwerpen die van nature minder prettig zijn, zoals fraudebeheersing en tone at the top.”

Nog interessanter is het om te kijken of men vindt dat fraude überhaupt een prioriteit op de beleidsagenda moet worden in de toekomst. Als we kijken naar de achtergrond van de commissarissen zien we daar weinig verschillen. Iedereen schommelt daar rond de grens van duidelijk mee eens. Bij de niet-commissarissen zien we wel een groot verschil in wenselijkheid, ook ten opzichte van de commissarissen. De rvb/directie vindt het ook niet wenselijk dat fraude een prioriteit wordt. Die heeft zeer waarschijnlijk voldoende andere prioriteiten. Het is dus aan de commissaris hier toezicht op te houden en daar waar nodig fraude als onderwerp op de kaart te zetten.2

1 Onduidelijk bij het BDO-onderzoek is wie in welke functie de vraag heeft beantwoord.
2
https://www.bdo.nl/getmedia/b78444a1-e42f-48ee-852e-3a385d042c8d/BM2412-Non-compliance-risico-s-voorkom-schade-en-schande.pdf pagina 6.

Moet een externe of de organisatie zelf een frauderisicoanalyse opstellen?

Gemiddeld lijkt er een lichte voorkeur te zijn voor een door de organisatie zelf opgestelde frauderisicoanalyse. Dat verschil is echter klein. Als we verder kijken dan het gemiddelde, dan zien we dat enkele benchmarks een veel duidelijker voorkeur hebben voor extern dan wel intern of andersom. Bij de bedrijfsbenchmarks zien we dat alleen het beursgenoteerde bedrijf een voorkeur heeft voor een door een externe opgestelde frauderisicoanalyse. Het grootbedrijf, de woningcorporatie, de zorg en welzijn en de overige non-profitorganisaties hebben echter een duidelijk voorkeur voor een door de organisatie zelf opgestelde frauderisicoanalyse.

Bij de persoonsgebonden benchmarks zien we een interessant onderscheid tussen de commissarissen en de niet-commissarissen. De jongere commissaris, de vrouwelijke commissaris, de commissaris die tevens elders in een rvb zit, hebben een duidelijke voorkeur voor een door een externe opgestelde analyse, maar de rvb/directie en de internal auditor willen liever dat de organisatie dat zelf doet.

Of de organisatie al over een frauderisicoanalyse beschikt, is nog maar de vraag trouwens. Bij de bedrijfsbenchmarks zien we nergens een duidelijke instemming. Ongeacht of het over een de organisatie zelf opgestelde of door een externe opgestelde analyse gaat. Wat betreft de zelf opgestelde analyse zien we dat de woningcorporatie en het grootbedrijf wel dicht in de buurt van die instemming zitten, het beursgenoteerde bedrijf is het daar min of meer mee eens en het MKB neigt naar instemming. Dat kan impliceren dat men denkt dat er iets ligt of dat men niet tevreden is over dat wat er ligt. Bij zorg en welzijn zien we overigens een duidelijke ontkenning. Als we kijken naar een door een externe opgestelde analyse zien we dat het beursgenoteerde bedrijf het daar min of meer mee eens is en het grootbedrijf neigt naar instemming. De andere bedrijfsbenchmarks gaan richting ontkenning. Bepaald nog geen gemeengoed dus.

Als het eenmaal is opgesteld, is het daarna ook nog de vraag hoe vaak men de analyse doorloopt. Uit eerdergenoemd BDO-onderzoek blijkt dat als het gaat om de eigen frauderisicoanalyse, ruim 50 procent van de respondenten uit de publieke sector aangeeft dat binnen hun organisatie (periodiek) een frauderisicoanalyse wordt uitgevoerd. In de profitsector is dit net iets meer dan 25 procent.

Beschikken auditcommissie en internal auditor over de kwaliteiten om competentie controlerend accountant op het gebied van fraudedetectie te kunnen beoordelen?

Het vertrouwen in een accountant om een rol te kunnen spelen bij de frauderisicoanalyse en -detectie zou uiteraard ook gebaseerd moeten zijn op het vermogen van zowel auditcommissie als internal auditor om op dat gebied gesprekspartner te zijn van een accountant. Wij vragen ons af of men wel expliciet en met kennis van zaken test of aan deze voorwaarde wordt/is voldaan. Regelmatig constateren wij dat men uitgaat van veronderstellingen dat dit wel zo zal zijn. En dat is niet alleen beperkt tot dit aandachtsgebied. In dat verband verbazen ons de opvattingen bij bijvoorbeeld de benchmark zorg en welzijn zeer ten aanzien van het hebben van een opgestelde frauderisicoanalyse. Die is er nu blijkbaar niet (vaak) en ook in de wenselijke situatie scoort ze het laagst van alle bedrijfsbenchmarks.
Daarnaast denken wij ook aan de regelmatig geventileerde opvattingen dat men twijfelt aan het hebben van voldoende kennis van het bedrijf in de ruimste zin van het woord. Dit betreft dan zowel commissarissen, maar ook tot op zekere hoogte accountants. Zit daar een kern van waarheid in, dan doet dat afbreuk aan de mogelijkheid om op een goede, betrouwbare en effectieve manier om te gaan met frauderisicoanalyse.

Waarom bij vooral Zorg zo’n lage prioriteit voor fraude-onderwerpen?

We verbazen ons over de lage prioriteit bij Zorg voor fraude. Komt het niet voor? Is dit al dichtgetimmerd door de veelheid van procedures op het gebied van veiligheid? Of heeft het externe toezicht in deze sector een dusdanige kwaliteit en activiteitenpalet dat fraude feitelijk nagenoeg onmogelijk is? Of is de sector via de zorgverzekeraars zo gereguleerd dat de vrijheidsmarges verwaarloosbaar zijn? Of is de samenstelling van de rvc en/of de auditcommissie zodanig dat kennis en inzicht van fraude niet bij de selectiecriteria worden gehanteerd? Of zijn andere problemen veel belangrijker en vergen zoveel aandacht dat fraude er niet meer bij kan? Wij weten het niet. Toch lijkt het ons onwaarschijnlijk dat fraude hier niet voorkomt. Dit blijkt ook uit de praktijk.

Opvallend vertrouwen in de bekwaamheid van de accountant om fraude te ontdekken

Zowel in de huidige situatie als in de wenselijke situatie scoort de stelling dat de accountant voldoende bekwaam is om fraude te ontdekken overall gemiddeld het hoogst. Bovendien is dat met de laagste standaarddeviatie die ook nog op homogene opvattingen wijst.De accountant heeft blijkbaar een goede reputatie. Dit blijkt tot op zekere hoogte ook uit het ontbreken van urgente verbeterwensen op dit gebied. De vraag is of dit vertrouwen terecht is. Wij zien geregeld dat missers van accountants breed worden uitgemeten in de publiciteit. Ook het recente rapport van de AFM wijst op omissies in het fraudedossier. Bij dit laatste rapport vragen wij ons wel af of het niet altijd volgen van de procedures geleid heeft tot het niet ontdekken van fraudes, die er wel waren. Kan het zijn dat het volgen van sommige procedures niet altijd zinvol is? En wat wij ook niet zien is hoeveel fraudes accountants ontdekt hebben. Het is ons niet bekend of zij dat bijhouden en daarover in geaggregeerde vorm jaarlijks publiceren,

.