Samenvatting
Wenselijke situatie
Bij het basisprofiel zitten drie stellingen in de klasse ‘duidelijk mee eens’ (4.0 ≤ score < 4.5). Dat is dat de organisatie meetbare duurzaamheidsdoelen moet formuleren en dat zowel rvb als rvc inzicht moeten hebben in de effecten van de organisatie op het klimaat.
De procentueel meest gedeelde opvattingen (score veelal > 4.0) door de benchmarks zijn:
• dat de organisatie meetbare duurzaamheidsdoelen heeft geformuleerd (74 procent van de benchmarks ‘duidelijk mee eens’)
• de rvb heeft inzicht in de effecten van de organisatie op het klimaat (61 procent ‘duidelijk mee eens’)
• de rvc heeft inzicht in de effecten van de organisatie op het klimaat (56 procent ‘duidelijk mee eens’)
Veranderwensen
Voor alle benchmarks gezamenlijk is het veranderpercentage met 47 procent fors. Er zijn twee stellingen waarbij meer dan tien benchmarks verbeterwensen hebben. Dertien benchmarks zijn van mening dat de rvc een beter inzicht moet hebben in de effecten van het klimaat op de organisatie. Elf benchmarks zijn van mening dat rvc en rvb over duurzaamheid meer hetzelfde moeten gaan denken.
De stellingen met de ‘minst gedeelde’ verbeterwensen zijn die over de rvb die inzicht heeft in de effecten van de organisatie op het klimaat en die over dat rvb-leden over duurzaamheid hetzelfde denken. In beide gevallen zijn er zes benchmarks die daar een verbeterwens hebben.
Huidige situatie
Bij het basisprofiel valt alleen de stelling ‘mijn organisatie heeft meetbare duurzaamheidsdoelen geformuleerd’ in de klasse ‘duidelijk mee eens’ qua instemming.
In de klasse ‘min of meer mee eens’ (3.5 ≤ score < 4.0) vinden we drie van acht stellingen, namelijk dat de rvb inzicht heeft in de effecten van de organisatie op het klimaat, dat over duurzaamheid rvb-leden hetzelfde denken en dat de rvc inzicht heeft in de effecten van de organisatie op het klimaat. Het basisprofiel ‘neigt naar instemming’ bij de andere vier stellingen.
In de huidige situatie is bij geen enkele de veertien stellingen meer dan de helft van de benchmarks het minimaal ‘duidelijk eens’. Het dichtst in de buurt komt de stelling dat de organisatie meetbare duurzaamheidsdoelen heeft geformuleerd. 42 procent van de benchmarks is het daar ‘duidelijk mee eens’.
Onderzoeksvraag
Aan de respondenten zijn acht aan ESG gerelateerde stellingen voorgelegd. Dit is voor alle stellingen de tweede keer dat we ze voorleggen. We kunnen daarom een vergelijking maken met het eerdere jaar.
Gebruikt is de 5-puntsschaal met: 1 = volstrekt oneens, 2 = oneens, 3 = deels oneens/deels eens, 4 = eens en 5 = volstrekt mee eens.
11.1Wenselijke situatie
.
Basisprofiel: meetbare duurzaamheidsdoelen en inzicht in effecten organisatie op klimaat
Gewenste situatie basisprofiel
Bij het basisprofiel zitten drie stellingen in de klasse ‘duidelijk mee eens’ (4.0 ≤ score < 4.5). Dat is dat de organisatie meetbare duurzaamheidsdoelen formuleert en dat zowel rvb als rvc inzicht hebben in de effecten van de organisatie op het klimaat.
In de klasse ‘min of meer mee eens’ (3.5 ≤ score < 4.0) zien we terug dat rvb en rvc inzicht hebben in de effecten van het klimaat op de organisatie en dat rvb-leden onderling en rvc- en rvb-leden hetzelfde over duurzaamheid denken.
Dat rvc-leden onderling hetzelfde over duurzaamheid denken, daar neigt het basisprofiel naar instemming.
Opvallend is dat bij het basisprofiel de historische vergelijking laat zien dat de instemming met de herhaalde stellingen in eerdere jaren hoger was dan in 2025.
Draagvlak: hoe breed delen de benchmarks de wenselijkheid?
Redelijke mate van overeenstemming onder de benchmarks
De procentueel meest gedeelde opvattingen (score veelal > 4.0) door de benchmarks zijn:
• dat de organisatie meetbare duurzaamheidsdoelen heeft geformuleerd (74 procent van de benchmarks ‘duidelijk mee eens’)
• de rvb heeft inzicht in de effecten van de organisatie op het klimaat (61 procent ‘duidelijk mee eens’)
• de rvc heeft inzicht in de effecten van de organisatie op het klimaat (56 procent ‘duidelijk mee eens’)
Andere benchmarks vergeleken met het basisprofiel
.
Grote mate overeenstemming van GB, MKB en Fam met basisprofiel
Bedrijfsbenchmarks
Bij GB, MKB en FAM in de profitsector is sprake van een redelijke mate van overeenstemming met het basisprofiel. MKB heeft vier materiële afwijkingen, GB twee en Fam één. Alle afwijkingen zijn positief wat betekent dat deze drie benchmarks bij de betreffende stelling het meer eens zijn dan het basisprofiel.
Voor GB en MKB geldt dat voor de stelling dat de rvb inzicht heeft in de effecten van het klimaat op de organisatie. Zij zijn het daar ‘duidelijk mee eens’. Ze zijn het ‘min of meer eens’ dat over duurzaamheid rvc-leden hetzelfde denken. In beide gevallen zit het basisprofiel een klasse lager qua instemming.
Zorg uitzondering met veel minder instemming bij vijf stellingen
In de non-profitsector is ook sprake van een redelijke mate van overeenstemming. Wel zijn bijna alle afwijkingen negatief, wat betekent dat er minder instemming is dan bij het basisprofiel. Corp, Cult en ONP wijken één keer af, OW twee keer. Maar de meeste afwijkingen zien we bij Zorg. Deze heeft vijf keer een lagere instemming. Dat geldt onder andere voor de stellingen over het inzicht van de effecten van het klimaat op de organisatie en andersom, van de effecten van het klimaat op de organisatie. Bij die laatste stellingen zit Zorg zelfs in de ‘deels mee oneens/deels mee eens’ klasse.
.
Nagenoeg complete instemming met basisprofiel
Persoonsgebonden benchmarks
Bij de persoonsgebonden benchmarks bij de commissarissen en niet-commissarissen is bijna sprake van een honderd procent overeenstemming met het basisprofiel.
Enkel rvbEL heeft een materiële afwijking: deze benchmarks is het ‘duidelijk eens’ dat de rvb inzicht heeft in de effecten van het klimaat op de organisatie. Het basisprofiel is het daar ‘min of meer mee eens’.
11.2Veranderwensen en huidige situatie
.
Basisprofiel: bij twee van de acht stellingen verbeterwensen
Basisprofiel
Het basisprofiel heeft twee verbeterwensen. De rvc moet een beter inzicht krijgen in de effecten van het klimaat op de organisatie en rvc- en rvb-leden moeten over duurzaamheid wat meer hetzelfde gaan denken.
Andere benchmarks
Fors overall veranderpercentage
Voor alle benchmarks gezamenlijk is het veranderpercentage met 47 procent fors. De scores van die veranderingen liggen in de wenselijke situatie niet allemaal boven de 3.2. Dat betekent dat een deel ook bespreekbare punten zijn (score < 3.2). Voor de bedrijfsbenchmarks in totaal is het percentage 75 procent. De profitsector heeft een lager veranderpercentage dan de non-profitsector (61 om 85 procent).
Voor de persoonsgebonden benchmarks is het overall veranderpercentage 23 procent, waarbij de commissarissen en niet-commissarissen wat uit elkaar liggen met respectievelijk 25 en 16 procent.
.
Nog veel winst te halen bij GB en MKB
Bedrijfsbenchmarks
In de profitsector heeft het MKB overal verbeterwensen en GB bij vijf van de acht stellingen. Fam bij twee van de vier. Het beursgenoteerde bedrijf heeft er zoals gezegd twee. Op Fam na zijn de overige drie van mening dat de rvc een beter inzicht moet krijgen in de effecten van het klimaat op de organisatie. Iets vergelijkbaars geldt voor hetzelfde denken van rvb-leden over duurzaamheid, zij het dat nu het basisprofiel daarbuiten valt. Voor MKB zijn urgent: hetzelfde denken van rvc en rvb over duurzaamheid en het inzicht van de rvc in de effecten van het klimaat op de organisatie.
Bij non-profitsector bijna overal veranderwensen
Ook bij de benchmarks in de non-profitsector zien we nagenoeg alleen maar (urgente) veranderwensen, die men vaak deelt. Zorg, OW en Cult hebben overal veranderwensen, Corp bij zes van de zeven. Alleen ONP met slechts drie verbeterwensen is redelijk tevreden.
.
Vooral Merv veel verbeterwensen
Persoonsgebonden benchmarks
Bij de commissarissen is het beeld een stuk rustiger. VZ, AC en Jong hebben geen enkele verbeterwens, VR en rvbEL elk twee en HR drie. Grote uitzondering is Merv die bij zeven van de acht stellingen verbeterwensen heeft, waarvan vier urgent. De urgentie zit er voor Merv in dat rvb en rvc meer inzicht moeten krijgen in de effecten van de organisatie op het klimaat en andersom, meer inzicht in de effecten van het klimaat op de organisatie.
Bij de stelling ‘de rvc heeft inzicht in de effecten van het klimaat op de organisatie’ en de stelling ‘over duurzaamheid denken rvc- en rvbleden hetzelfde’ delen HR, VR, Merv en rvbEL hun verbeterwensen.
Bij de niet-commissarissen zien we dat DIR geen verbeterwensen heeft. Secr heeft er twee en IA één.
.
Bij elke stelling tussen de zes en dertien benchmarks met veranderwens
Gedeelde veranderwensen
Er zijn twee stellingen waarbij meer dan tien benchmarks verbeterwensen hebben. Dertien benchmarks zijn van mening dat de rvc een beter inzicht moet hebben in de effecten van het klimaat op de organisatie. Elf benchmarks zijn van mening dat rvc en rvb over duurzaamheid meer hetzelfde moeten gaan denken.
De stellingen met de ‘minst gedeelde’ verbeterwensen zijn die over de rvb die inzicht heeft in de effecten van de organisatie op het klimaat en die over dat rvb-leden over duurzaamheid hetzelfde denken. In beide gevallen zijn er zes benchmarks die daar een verbeterwens hebben.
Huidige situatie
.
Basisprofiel ‘neigt naar instemming’ of ‘min of meer mee eens’ bij zeven van de acht stellingen
Basisprofiel
Bij het basisprofiel valt alleen de stelling ‘mijn organisatie heeft meetbare duurzaamheidsdoelen geformuleerd’ in de klasse ‘duidelijk mee eens’ qua instemming.
In de klasse ‘min of meer mee eens’ (3.5 ≤ score < 4.0) vinden we drie van acht stellingen, namelijk dat de rvb inzicht heeft in de effecten van de organisatie op het klimaat, dat over duurzaamheid rvb-leden hetzelfde denken en dat de rvc inzicht heeft in de effecten van de organisatie op het klimaat.
Het basisprofiel ‘neigt naar instemming’ bij de andere vier stellingen.
In de huidige situatie is bij geen enkele van de veertien stellingen meer dan de helft van de benchmarks het minimaal ‘duidelijk eens’. Het dichtst in de buurt komt de stelling dat de organisatie meetbare duurzaamheidsdoelen heeft geformuleerd. 42 procent van de benchmarks is het daar ‘duidelijk mee eens’.
In totaal 9 procent van de opties score ≥ 4.0
In totaal heeft 9 procent van de opties een score ≥ 4.0. In de wenselijke situatie is dat 34 procent. Wanneer we de grens bij een score van 3.5 leggen, scoort in de huidige situatie 49 procent boven die grens tegen 89 procent in de wenselijke situatie.
Er is een aantal stellingen waarbij de standaarddeviatie behoorlijk hoog is. Dat gaat naast het hebben van meetbare duurzaamheidsdoelen vooral over het inzicht dat rvb en rvc hebben in de effecten van de organisatie op het klimaat en andersom, in de effecten van het klimaat op de organisatie.
Het lijkt erop dat de profitsector daar meer tevreden over is dan de non-profitsector.
Historische vergelijking 2023-2025
Wenselijke situatie
Ten aanzien van de wenselijkheid van het hebben van meetbare duurzaamheidsdoelen zien we amper verschillen tussen 2023 en 2025.
Ten aanzien van het inzicht in de effecten zien we dat met name bij de profitsector de wenselijkheid omhoog is gegaan. Ook AC, DIR en Secr en in mindere mate VR willen een beter inzicht hebben. Voor een deel van non-profitsector en Merv geldt het tegenovergestelde. De wenselijkheid is juist gedaald.
Verbeterwensen
In 2023 waren bij elke benchmark bij het formuleren van meetbare duurzaamheidsdoelen veranderwensen te zien. Dat aantal is in 2025 gehalveerd.
In 2022 waren bij de vier stellingen over het inzicht in de effecten ook nagenoeg overal veranderwensen te zien. Ook dat is verminderd. Ze zijn voornamelijk nog te zien bij de bedrijfsbenchmarks.
Huidige situatie
Ten aanzien van het hebben van meetbare duurzaamheidsdoelen zien we wel enkele verschillen tussen 2023 en 2025. Bij het beursgenoteerde bedrijf, Corp en OW is de instemming gezakt, bij ONP juist gestegen. Overigens is bij Zorg en OW de aanwezigheid van meetbare duurzaamheidsdoelen niet vanzelfsprekend volgens de respondenten gezien de lage instemming in beide jaren.
Ten aanzien van het hebben van inzicht in de effecten van de organisatie op het klimaat en omgekeerd zien we dat dit vooral bij de profitbenchmarks sinds 2022 is toegenomen. Bij Corp, Zorg en OW is dat inzicht (nog verder) gezakt. Bij de persoonsgebonden benchmarks zien we dat het inzicht bij AC, DIR en Secr is gegroeid en in mindere mate ook bij VR. Bij Merv zien we het tegenovergestelde.
11.3Enige bespiegelingen/vragen/kanttekeningen
Heeft de minder ervaren commissaris bij discussies over duurzaamheid de boot gemist?
Het is een opmerkelijk gezicht, bij de persoonsgebonden benchmarks is het aantal verbeterwensen beperkt. Behalve bij de minder ervaren commissaris met minder dan vijf jaar ervaring. Die heeft bij zeven van de acht stellingen verbeterwensen, waarvan er ook nog eens vier urgent zijn (die over de dubbele materialiteit). Het puzzelt ons uiteraard. Een verklaring kan zijn dat het merendeel van de discussies over duurzaamheid inmiddels geweest is en dat veel inmiddels geïncorporeerd is in het beleid/ de strategie van de organisatie. Dat zou dan betekenen dat het veel minder als uitgebreid discussiestuk ter rvc-tafel komt dan voorheen, behalve dan bij de reguliere interne en externe rapportage. Een andere verklaring kan zijn dat de aandacht, door andere urgente zaken dan wel door minder strenge wetgeving of gewijzigde geopolitieke ontwikkelingen, wat verflauwd is. Maar misschien dat het dan juist de rol van de minder ervaren commissaris moet zijn om het onderwerp weer op de rvc-agenda te krijgen. Wat gezien de tweede plek qua aantal gedeelde verbeterwensen (elf) bij de stelling ‘over duurzaamheid denken rvc- en rvb-leden hetzelfde’ misschien helemaal geen gek idee is.
Wil commissaris nu wel of geen actie bij (langetermijn) effecten klimaat op organisatie?
Bij alle bedrijfsbenchmarks, inclusief het beursgenoteerde bedrijf, is het inzicht dat de rvc heeft in de effecten van het klimaat op de organisatie beperkt. Bij de non-profit zijn het zelfs onvoldoendes. Het is dan ook geen wonder dat alle bedrijfsbenchmarks daar een verbetering in willen zien in de komende drie jaar. Dat ontbreken van inzicht geldt voor de meeste bedrijfsbenchmarks niet alleen de rvc, maar ook de rvb.
Dat verbaast ons eigenlijk niet. In het onderzoek van vorig jaar hebben we een twintigtal calamiteiten voorgelegd en de vraag was of daar een (nood)scenario voor aanwezig was, dan wel moest komen. Daaronder calamiteiten als hittestress, wateroverlast, een watertekort en handelen in strijd met de principes van duurzaam ondernemen. De scores lagen ook daar in de huidige situatie (zeer) laag en hoewel we veel verbeterwensen zagen, lag de score in de wenselijke situatie ook vaak laag. Met name bij een scenario voor een watertekort. De respondent lijkt zich daarmee enigszins tegen te spreken als ze aangeeft dat ze meer zicht wil op de effecten van het klimaat op de organisatie. Of wil ze wel meer inzicht, maar hoeft daar geen actie aan verbonden te worden? Enkel ter informatie and that’s it? Of nog veel zorgelijker realiseert de commissaris zich wel wat er op ons af dreigt te komen en dat we daarop bijna 0,0000 zijn voorbereid?
In het licht van de voorgaande bespiegeling is het misschien geen gek idee om de scenario’s en plannen van landelijke organisaties (TNO, KNMI, Rijkswaterstaat, Deltares) en de sectorale scenario’s en plannen voor horeca, drinkwaterbedrijven en IT-infrastructuur eens door te nemen en te bekijken wat relevant is of kan worden.
Houdt bedrijfsleven alleen rekening met Brussel of is er voldoende interne/intrinsieke motivatie?
Ten aanzien van het hebben van inzicht in de effecten van de organisatie op het klimaat en omgekeerd zien we dat deze vooral bij de profitbenchmarks sinds 2022 is toegenomen. Het lijkt ons aannemelijk dat de regelgeving uit Brussel m.b.t. de publicatieplicht over duurzaamheid de belangrijkste verklaring. Uit diverse onderzoeken is gebleken dat diverse grote, met name beursgenoteerde bedrijven aan dit onderwerp in hun jaarverslagen al de nodige aandacht hebben gegeven. In de slipstream daarvan en in relatie tot een meer ‘keten denken’ zijn ook andere, niet beursgenoteerde bedrijven overgegaan om op deze ontwikkeling in te spelen. De vraag is nu of de ontwikkelingen in de USA en de wens om regelgeving op ‘Brussels niveau’ te reduceren zal leiden tot minder oog voor ontwikkelingen met betrekking tot klimaat en duurzaamheid. Wij zijn er niet helemaal gerust op. Hopelijk is de intrinsieke motivatie gebaseerd op korte en lange termijn duurzaamheidsdenken voldoende verankerd in de hoofden van bestuurders, commissarissen, managers en medewerkers.
In wenselijke situatie meer zicht op effecten van organisatie op klimaat dan andersom en welke plaats is daarbij voor de medewerk(st)ers gereserveerd?
Opvallend is dat bij alle afzonderlijke benchmarks in de wenselijke situatie de score voor het inzicht van rvb en van rvc in de effecten van de organisatie op het klimaat hoger scoort dan die van het klimaat op de organisatie. Kort en simpel gezegd we hebben wat meer aandacht voor onze ‘voetafdruk’ dan voor wat er wellicht op ons en onze medewerk(st)ers afkomt. Wel vragen wij ons af of bij deze berekeningen/beelden ook rekening wordt gehouden met de geaggregeerde effecten van medewerk(st)ers geredeneerd vanuit hun privésituatie. De vraag is of bedrijven deze effecten, in het kader van ketenaansprakelijkheid bijvoorbeeld, ook niet mee moeten nemen en ook proberen te sturen? Een medewerk(st)er is toch ook een leverancier? Aan de andere kant zullen ook de medewerk(st)ers worden geconfronteerd met de gevolgen van klimaat- en geopolitieke ontwikkelingen. Kunnen bedrijven dan zeggen: ‘daarvoor zijn wij niet verantwoordelijk’? Dat gooien we over de schutting en daarvoor moet de overheid maar een oplossing vinden. Is dat een duurzame, maatschappelijk verantwoorde oplossing? Zo ja, zou dat in de tijd kunnen gaan veranderen? Zo nee, wat doen we er dan aan?
Overigens doen de meeste verbeterwensen (13 benchmarks) zich voor bij de stelling dat de rvc inzicht moet hebben in de effecten van het klimaat op de organisatie.
Moeten rvc en rvb wel hetzelfde denken over duurzaamheid?
Over duurzaamheid denken rvc- en rvb-leden hetzelfde. Dit is eveneens een stelling met veel benchmarks (11 stuks) met een verbeterwens. Wij vragen ons af of dit wel zo wenselijk is. Dat er besluiten moeten worden genomen en dat deze vervolgens moeten worden geïmplementeerd is wat ons betref geen punt van discussie. Wel hebben wij wat twijfels of bij hetzelfde denken wel voldoende kritische massa overblijft om zowel rvc als rvb scherp te houden. Als hetzelfde denken teveel gaat neigen naar afwezigheid van divergerende opvattingen zowel wat betreft de te behalen doelen als ook over de daarbij te bewandelen wegen, dan ligt het gevaar van bedrijfs-/sectorblindheid om de hoek. En moeten we dat wel willen? Zou een rvc van Ajax alleen maar moeten bestaan uit loyale Ajax supporters of zou het juist goed zijn om daar een Feyenoord fan tussen te hebben?