Spring naar inhoud

Risicomanagement, losse stellingen

Samenvatting

Wenselijke situatie
Er is een redelijke consensus. Net als bij het basisprofiel bestaat er de minste aversie tegen en bij enkele benchmarks zelfs een zekere mate van instemming met de stelling ‘elk half jaar moet de rvc vaststellen welke commissarissen beschikbaar zijn voor extra inzet als gevolg van ‘calamiteiten’. 
Een duidelijk veelal afwijzend karakter, zoals bij het basisprofiel, betreft de stellingen:  
    • in de overeenkomst van de commissaris moet een flexibele crisiscomponent worden opgenomen (77 procent van de benchmarks)
    • in het kader van risicomanagement dient de rvc jaarlijks een stresstest te ondergaan (60 procent van de benchmarks)

De benchmarks GB, MKB, Cult en ONP staan wel meer open voor acceptatie van deze stellingen. Wel blijft de afwijzing ten aanzien van de opname van een flexibele crisiscomponent overeind. 

Veranderwensen
Het basisprofiel heeft één bespreekbaar punt voor de stelling dat de rvc elk half jaar moet vaststellen welke commissarissen beschikbaar zijn voor extra inzet als gevolg van ‘calamiteiten’.
Gekeken naar alle benchmarks is deze stelling koploper. Er zijn twaalf benchmarks die daar een bespreekbaar punt hebben. De stelling ‘in het kader van risicomanagement dient de rvc jaarlijks een stresstest te ondergaan’ kent negen benchmarks die daar een verandering willen zien. Bij het opnemen van een flexibele crisiscomponent zijn slechts zes benchmarks van mening dat dit op zijn hoogst een bespreekbaar punt is.

Huidige situatie
In de huidige situatie zijn er geen benchmarks die zelfs maar neigen naar instemming (gelijk of hoger dan 3.2 scoren) bij een van de drie stellingen. Omgekeerd is bij elk van de drie stellingen een ruime meerderheid van de benchmarks het telkens oneens. 

Onderzoeksvraag

We hebben in het kader van risicomanagement ook nog drie stellingen opgenomen die gericht zijn op de rvc en/of individuele commissaris. Deze drie stellingen zijn nieuw en dat betekent dat we die niet kunnen vergelijken in tijd.
Gebruikt is de 5-puntsschaal met: 1 = volstrekt oneens, 2 = oneens, 3 = deels oneens/deels eens, 4 = eens en 5 = volstrekt mee eens.

8.1Wenselijke situatie

.

‘Deels oneens/eens’ of afwijzing

Gewenste situatie basisprofiel

Bij het basisprofiel kan geen enkele stelling op voldoende mate van instemming rekenen.
Alleen de stelling ‘elk half jaar moet de rvc vaststellen welke commissarissen beschikbaar zijn voor extra inzet als gevolg van ‘calamiteiten’ zit in de klasse ‘deels oneens/deels eens’. De andere twee stellingen wijst het basisprofiel af.

Draagvlak: hoe breed delen de benchmarks de wenselijkheid?

Bij geen van de drie stellingen scoort minimaal de helft van de benchmarks een 4.0 of hoger. Aan de andere kant zien we wel dat minimaal de helft van de benchmarks een 2.8 of lager scoort en de stellingen daarmee afwijst. Dat gaat om:
• in de overeenkomst van de commissaris moet een flexibele crisiscomponent worden opgenomen (77 procent van de benchmarks)
• in het kader van risicomanagement dient de rvc jaarlijks een stresstest te ondergaan (60 procent van de benchmarks)

.

MKB en GB ‘min of meer eens’ met halfjaarlijkse meting beschikbaarheid commissaris voor calamiteit

Bedrijfsbenchmarks

Bij de profitsector is sprake van meer instemming bij GB en MKB bij de eerste twee stellingen. Beide zijn het er ‘min of meer eens’ dat de rvc elk half jaar moet vaststellen welke commissarissen beschikbaar zijn voor extra inzet als gevolg van ‘calamiteiten’. Daarnaast neigt MKB naar instemming als het gaat om in het kader van risicomanagement dat de rvc jaarlijks een stresstest ondergaat. Daar zit GB in de klasse ‘deels mee oneens/deels mee eens’.
Voor het opnemen van een flexibele crisiscomponent in de overeenkomst met de commissaris zien we geen enthousiasme.

Cult meer uitgesproken

In de non-profitsector zien we ook bij de eerste twee stellingen materiële afwijkingen van het basisprofiel. In tegenstelling tot het basisprofiel is Cult het ‘duidelijk eens’, ONP het ‘min of meer eens’ en Corp het ‘deels oneens/deels eens’ met de stelling dat in het kader van risicomanagement de rvc jaarlijks een stresstest dient te ondergaan. Cult en ONP zijn het (ook) ‘duidelijk eens’ dat de rvc elk half jaar moet vaststellen welke commissarissen beschikbaar zijn voor extra inzet als gevolg van ‘calamiteiten’.

.

Grote mate van instemming met basisprofiel. RvbEL wel meer instemming

Persoonsgebonden benchmarks

Bij de persoonsgebonden benchmarks bij de commissarissen zien we meer overeenstemming met het basisprofiel. Alleen rvbEL wijkt bij alle drie de stellingen positief af. Bij de stelling over de stresstest en de stelling over het opnemen van een flexibele crisiscomponent resulteert dat in een ‘deels mee oneens/deels mee eens’ situatie. En voor de halfjaarlijkse check wordt dit zelfs ‘min of meer mee eens’.

Bij de niet-commissarissen hebben zowel DIR als IA één materiële afwijking. IA is positiever over een halfjaarlijkse check (‘min of meer mee eens’) dan bapr en DIR is positiever dan bapr over het opnemen van een flexibele crisiscomponent in de overeenkomst met de commissaris (‘deels oneens/deels eens’).

8.2Veranderwensen en huidige situatie

.

Één veranderwens

Basisprofiel

Het basisprofiel heeft één bespreekbaar punt bij de stelling dat de rvc elk half jaar moet vaststellen welke commissarissen beschikbaar zijn voor extra inzet als gevolg van ‘calamiteiten’.

.

Vooral Cult en ONP zien verbetermogelijkheden

Bedrijfsbenchmarks

In de profitsector zien we dat bij de jaarlijkse stresstest GB daar een urgent bespreekbaar punt heeft en MKB een urgente verbeterwens. Bij het halfjaarlijks vaststellen welke commissarissen beschikbaar zijn voor extra inzet als gevolg van ‘calamiteiten’ heeft bapr een bespreekbaar punt, maar voor GB en MKB is dat een urgente verbeterwens.
Een flexibele crisiscomponent is voor GB een bespreekbaar punt.

In de non-profitsector zien we bij Cult en ONP, deels urgente, verbeterwensen. Bij Zorg zien we drie bespreekbaar geworden punten en bij Corp één. Bij het jaarlijks vaststellen welke commissarissen beschikbaar zijn voor extra inzet als gevolg van ‘calamiteiten’ zien we dat alle vier de benchmarks verandering willen.

.

Mix van verander- en  verbeterwensen

Persoonsgebonden benchmarks

Bij de commissarissen hebben VZ, Jong en VR geen veranderwensen. AC heeft drie bespreekbare punten, rvbEL twee bespreekbare punten en één verbeterwens. HR één verbeterwens en één bespreekbaar punt en Merv twee bespreekbare punten.

DIR kritisch

Bij de niet-commissarissen heeft DIR een urgente verbeterwens bij de stelling ‘elk half jaar moet de rvc vaststellen welke commissarissen beschikbaar zijn voor extra inzet als gevolg van ‘calamiteiten’ en daarnaast twee bespreekbare punten.

.

Halfjaarlijkse check meest gewenste verandering

Gedeelde veranderwensen

Koploper is de stelling ‘elk half jaar moet de rvc vaststellen welke commissarissen beschikbaar zijn voor extra inzet als gevolg van ‘calamiteiten’’. Er zijn twaalf benchmarks die daar een bespreekbaar punt of verbeterwens hebben. De stelling ‘in het kader van risicomanagement dient de rvc jaarlijks een stresstest te ondergaan’ kent negen benchmarks die daar een verandering willen zien. Bij het opnemen van een flexibele crisiscomponent zijn slechts zes benchmarks van mening dat dingen kunnen of moeten veranderen.

 

Het veranderpercentage bij deze drie stellingen is 64 procent en betreft primair bespreekbaar geworden punten. Dat is een redelijk hoog percentage. Dat is een indicatie dat de respondenten nog niet ‘om’ zijn, maar dat ze wel vinden dat ze daar op zijn minst eens over moeten nadenken en kijken of ze dit niet met de collega’s in de rvc moeten bespreken.

Huidige situatie

 

Het basisprofiel zit alleen bij de stelling over de halfjaarlijkse check in de klasse ‘deels mee oneens/deels mee eens’. De andere twee stellingen worden afgewezen.

 

In de huidige situatie zijn er geen benchmarks die naar instemming neigen (gelijk of hoger dan 3.2 scoren) bij een van de drie stellingen. Omgekeerd is bij elk van drie stellingen een ruime meerderheid van de benchmarks het telkens oneens.

 

Bij de bedrijfsbenchmarks heeft alleen de non-profitsector een paar materiële afwijkingen van het basisprofiel. Corp, Cult en ONP zijn het ‘deels oneens/deels eens’ bij de stelling dat de rvc jaarlijks een stresstest dient te ondergaan.

Bij de persoonsgebonden benchmarks bij de commissarissen is het beeld rustig met geen materiële afwijkingen van het basisprofiel.

8.3Enige bespiegelingen/vragen/kanttekeningen

Voorbereiden door de rvc op calamiteiten: flauwekul

Een vijandige overname, een ‘me too affaire’ met de ceo in de hoofdrol en veel media-aandacht of een ernstige, publicitair gevoelige overtreding van een internationale boycot zijn een paar voorbeelden van mogelijke calamiteiten, waarbij een crisisteam van de rvc moet worden gevormd. Naar wie kijkt men dan? In ieder geval naar de voorzitter van de rvc. Maar deze blijkt opeens een mogelijk conflict of interest te hebben. De juridische expert in de raad is net een maand op safari met zijn/haar familie vanwege een 40-jarig huwelijk. 
Een rvc-lid, een ex-cfo met veel ervaring en kennis op het gebied van (massa)communicatie en omgang met de media is niet beschikbaar in verband met de zeer intensieve mantelzorg voor zijn/haar partner. En dan de jonge commissaris met nog een operationele functie die reserveofficier is en net was opgeroepen. En, tenslotte, een rvc-lid die net in staat is een rvc-vergaderdag uit te zingen en daarna een dag recupereren moet om een volgende vergaderuitdaging aan te kunnen gaan. Het zou gek zijn als deze bepaald niet denkbeeldige voorbeelden zich tegelijkertijd zouden manifesteren. Maar twee of drie tegelijkertijd blijkt wel eens voor te komen. Maar zelfs met één of twee van deze voorbeelden tegelijkertijd kan een eventueel crisisteam van een rvc wel eens voor een uitdagende situatie geplaatst worden.
De meeste mensen weten wel dat plannen van belang is. Niet zozeer met de verwachting dat die uit zal komen, maar wel dat je dan weet waar je en hoe je moet acteren als zich een bepaalde situatie voordoet. 

Tijdens de interviews kregen we bij deze stelling reacties als:
    • ik heb nog nooit meegemaakt dat het niet op zijn pootjes kwam;
    • je kunt niet alles voorspellen wat er kan gebeuren;
    • ik (i.c. de voorzitter van de rvc) houd goed in de gaten of mijn ‘gewenste secondanten’ wel of niet beschikbaar zijn;
    • je moet de commissarissen niet lastig vallen met dit soort zaken, die soms ook privé zijn. Ze hebben het al druk genoeg.
    • wij informeren één keer per jaar hoe het met iedereen gaat en wat men verwacht ten aanzien van. zijn/haar beschikbaarheid in uitzonderlijke situaties.
    • in elk rvc-vergadering in het vooroverleg komt dit punt aan de orde doordat de voorzitter expliciet vraagt of iemand het komend halfjaar problemen voorziet met zijn/haar beschikbaarheid.
    • bij ons geldt de regel dat als een rvc-lid ziet aankomen dat hij/zij het komend halfjaar tijdelijk of een langere periode niet volledig beschikbaar is, dit schriftelijk of per e mail meedeelt aan de secretaris van de vennootschap. 

Regeren is vooruitzien. Geldt dat niet voor commissarissen? En wat is de uitstraling/voorbeeldfunctie van een rvc die op dit gebied zelf niet aan ‘risicomanagement’ doet, maar dit wel van de rvb en de organisatie verlangt?

Waarom zo moeilijk over het ondergaan van een stresstest als commissaris?

Opvallend is dat van alle benchmarks alleen Cultuur, Overige non-profit en MKB tot op zekere hoogte openstaan voor een stresstest van commissarissen. Alle overige benchmarks wijzen dat veelal af. Als we naar de gemiddelde leeftijd van commissarissen kijken, dan is die eerder richting 60+ dan 30-. Bekend is dat met het stijgen van de leeftijd meestal een aantal zaken niet meer zo functioneert als vroeger. Bij de één is dat wat manifester dan bij de ander. In geval van calamiteiten is het beslag op psychische en fysieke kwaliteiten naar alle waarschijnlijkheid hoger dan in de situatie van business als usual. De agenda moet worden leeggemaakt. Men moet soms dagenlang achter elkaar vergaderen. Kan iedereen dat nog? Bekend is dat menig organisatie de medewerk(st)ers gelegenheid geeft gebruik te maken van jaarlijkse ‘gezondheidstesten’. Tijdens de interviews bleken verschillende respondenten wel gecharmeerd te zijn om daar in ieder geval gebruik van te gaan maken, als hun organisatie die optie ook heeft. Dit kan een laagdrempelige opstap zijn naar een meer uitgebreide test. Het volgende probleem dat zich dan aandient is, gaan we de resultaten met de collega-commissarissen delen of niet?

.