Spring naar inhoud

HR/risicomanagement, beschikbaarheid van medewerkers

Samenvatting

Wenselijke situatie
Het basisprofiel is het er ‘duidelijk mee eens’ (4.0 ≤ score < 4.5) dat de organisatie een goed overzicht moet hebben over hoeveel medewerkers een loonbeslag hebben. Ze is het ‘min of meer eens’ dat er ook een goed overzicht moet zijn van het aantal reservisten. De instemming zakt wat, ‘neigt naar instemming’, als het gaat over het overzicht van het aantal oproepbare vrijwilligers en het aantal medewerkers dat er een bedrijf naast heeft. Het minst enthousiast, ‘deels mee oneens/deels mee eens’ met de stelling, is dat de organisatie een goed overzicht moet hebben van hoeveel medewerkers mantelzorger zijn.

Daarmee zit het basisprofiel aan de onderkant qua instemming. Andere bedrijfsbenchmarks hebben een veel grotere instemming bij de stellingen. MKB en Fam zijn het met alle stellingen op zijn minst ‘duidelijk eens’. Bij GB geldt dat bij drie van de vijf stellingen. Ook Corp, Zorg, Cult en OW hebben een hogere instemming bij het overzicht van het aantal mantelzorgers, oproepbare vrijwilligers en het aantal medewerkers dat er een eigen bedrijf naast heeft. 

Veranderwensen
Het overall veranderpercentage is met 79 procent hoog. Bij drie van de vijf stellingen hebben minstens veertien benchmarks een veranderwens. Dat het gaat om het overzicht dat de organisatie heeft van het aantal medewerkers dat mantelzorger, reservist of oproepbare vrijwilliger is. Ook willen twaalf benchmarks dat de organisatie beter in de gaten krijgt hoeveel medewerkers er een bedrijf naast hebben. Voor negen benchmarks geldt dat voor het overzicht van het loonbeslag.
Het gros van de veranderwensen heeft een urgent karakter.

Huidige situatie
In de huidige situatie is bij geen van de vijf stellingen meer dan 50 procent van de benchmarks het minimaal ‘duidelijk mee eens’. Integendeel, als we het omdraaien zien we dat bij vier van de vijf stellingen meer dan 50 procent van de benchmarks het ‘duidelijk oneens’ is met de stelling.
Dat gaat om een overzicht van het aantal:
- oproepbare vrijwilligers (80 procent van de benchmarks) 
- mantelzorgers (69 procent)
- reservisten (67 procent)
- medewerkers dat er een bedrijf naast heeft (56 procent)

We zien bij de meeste bedrijfsbenchmarks (op twee na) dat de instemming bij het overzicht van het loonbeslag bijna overal tussen ‘min of meer mee eens’ en ‘duidelijk mee eens’ zit. Bij de andere vier stellingen lopen de meningen sterk uiteen.

Onderzoeksvraag

Aan de respondenten is gevraagd of de organisatie een overzicht heeft van hoeveel mensen  mantelzorger, reservist, oproepbare vrijwilliger zijn en/of een loonbeslag hebben of er een eigen bedrijf naast hebben. Dit is de eerste keer dat we de meeste van deze stellingen voorleggen. We hebben daarom geen vergelijkingsmateriaal uit eerdere jaren. Alleen de stelling over het loonbeslag hebben we eerder voorgelegd.
Gebruikt is de 5-puntsschaal met: 1 = volstrekt oneens, 2 = oneens, 3 = deels oneens/deels eens, 4 = eens en 5 = volstrekt mee eens.

9.1Wenselijke situatie

.

Basisprofiel: wenselijk om goed overzicht van loonbeslag te hebben

Gewenste situatie basisprofiel

Het basisprofiel is  het er ‘duidelijk mee eens’ (4.0 ≤ score < 4.5) dat de organisatie een goed overzicht moet hebben van hoeveel medewerkers een loonbeslag hebben. Ze is het ‘min of meer eens’ dat er ook een goed overzicht moet zijn van het aantal reservisten. De instemming zakt wat, 'neigt naar instemming', als het gaat over het overzicht over het aantal oproepbare vrijwilligers en het aantal medewerkers dat er een bedrijf naast heeft.

Het minst enthousiast, ‘deels mee oneens/deels mee eens’ met de stelling, is dat de organisatie een goed overzicht heeft van hoeveel medewerkers mantelzorger zijn.

Draagvlak: hoe breed delen de benchmarks de wenselijkheid?

Overzicht loonbeslag breed gedeeld

Er is één stelling waarbij minimaal de helft van de benchmarks minimaal een 4.0 of hoger scoort. Dat betreft de stelling dat de organisatie een overzicht moet hebben van het aantal medewerkers dat een loonbeslag heeft (89 procent van de benchmarks). Bij de andere vier stellingen zit dit percentage tussen de 18 en 39 procent.

Andere benchmarks vergeleken met het basisprofiel

.

GB, MKB en Fam in meeste gevallen duidelijk eens met stelling

Bedrijfsbenchmarks

In de profitsector zien we veel grote, materiële verschillen met het basisprofiel. Die zijn allemaal positief wat betekent dat er meer instemming is met de stelling dan bij het basisprofiel. Zowel GB en MKB wijken vier keer materieel af en Fam wijkt drie keer af. MKB en Fam zijn het met alle stellingen op zijn minst ‘duidelijk eens’. Bij GB geldt dat bij drie van de vijf stellingen.

Ook in non-profitsector veelal meer instemming

Ook in de non-profitsector zien we veel positieve verschillen met het basisprofiel. ONP (4), Corp, Cult en Zorg (elk 3) ontlopen elkaar niet veel. Zorg heeft daarnaast bij de stelling over het loonbeslag juist een iets lagere instemming dan het basisprofiel. Alle vier hebben een hogere instemming bij het overzicht van het aantal mantelzorgers, oproepbare vrijwilligers en het aantal medewerkers dat er een eigen bedrijf naast heeft.

.

Persoonsgebonden benchmarks grotendeels eens met basisprofiel behalve HR

Persoonsgebonden benchmarks

Bij de commissarissen benchmarks is het beeld rustiger in vergelijking met de bedrijfsbenchmarks. VZ, AC, VR en rvbEL wijken helemaal niet af. Jong en Merv beide eenmaal en beide negatief.
Opvallend, maar niet verrassend, is de mening van HR die vier keer een hogere mate van instemming heeft. Het overzicht van het loonbeslag is daarop de uitzondering. HR stemt daar net als de meeste andere benchmarks, inclusief het basisprofiel duidelijk mee in.

 

Bij de niet-commissarissen wijkt alleen IA eenmaal materieel en positief af. IA is het er ‘min of meer mee eens’ dat de organisatie een overzicht moet hebben van het aantal medewerkers dat er een bedrijf naast heeft.

9.2Veranderwensen en huidige situatie

 

Basisprofiel

Het basisprofiel heeft drie urgente verbeterwensen en één urgent bespreekbaar punt.

.

Hoog overall veranderpercentage

Andere benchmarks

Voor alle benchmarks gezamenlijk is het veranderpercentage met 79 procent hoog. De scores van die veranderingen liggen in de wenselijke situatie niet allemaal boven de 3.2. Dat betekent dat een klein deel bespreekbare punten zijn (score < 3.2) en de andere verbeterwensen. Voor de bedrijfsbenchmarks in totaal is het percentage 66 procent.
Voor de persoonsgebonden benchmarks is het overall veranderpercentage 89 procent, waarbij de commissarissen een iets hoger percentage hebben dan de niet-commissarissen (94 om 70 procent).

.

GB en MKB drie verbeterwensen

Bedrijfsbenchmarks

In de profitsector heeft GB drie urgente verbeterwensen, bij het overzicht van het aantal mantelzorgers, reservisten en oproepbare vrijwilligers. MKB heeft drie forse verbeterwensen, bij het overzicht van het aantal reservisten, oproepbare vrijwilligers en het loonbeslag.

Ook bij de benchmarks in de non-profitsector zien we veel verbeterwensen, die men vaak deelt. Zorg heeft bij alle vijf opties verbeterwensen, waarvan vier urgent. Corp heeft drie urgente verbeterwensen, ONP heeft vier verbeterwensen waarvan één urgent en Cult heeft er drie waarvan ook één urgent. Alleen Zorg heeft een verbeterwens bij het overzicht dat de organisatie heeft van het aantal medewerkers met een loonbeslag.

.

Bij persoonsgebonden benchmarks nagenoeg overal verbeterwensen

Persoonsgebonden benchmarks

Bij de commissarissen is, zoals duidelijk te zien is in figuur 9.2, sprake van heel veel veranderwensen. De meeste daarvan zijn urgent van aard. De enige uitzondering op de hoeveelheid verbeterwensen is dat VZ en AC geen verbeterwensen hebben bij het overzicht van het aantal loonbeslagen.

 

Bij de niet-commissarissen heeft DIR drie urgente verbeterwensen en een forse verbeterwens. Secr heeft een verbeterwens en daarnaast is een overzicht van het aantal medewerkers dat een bedrijf ernaast heeft een bespreekbaar punt. Voor IA is dat laatste dan weer een verbeterwens.

.

Zeer veel gedeelde veranderwensen

Gedeelde veranderwensen

Bij drie van de vijf stellingen hebben minstens veertien benchmarks een veranderwens. Dat het gaat om het overzicht dat de organisatie heeft van het aantal medewerkers dat mantelzorger, reservist of oproepbare vrijwilliger is. Ook willen nog twaalf benchmarks dat de organisatie beter in de gaten krijgt hoeveel medewerkers er een bedrijf naast hebben. Voor zeven benchmarks geldt dat voor het overzicht van het loonbeslag.

Huidige situatie

 

Basisprofiel

Het basisprofiel is het bij de meeste stellingen ‘mee oneens’. Alleen niet voor het overzicht van het loonbeslag want dat valt in de klasse ‘duidelijk mee eens’ qua instemming.

 

Andere benchmarks

In de huidige situatie is bij geen van de vijf stellingen meer dan 50 procent van de benchmarks het minimaal ‘duidelijk eens’. Als we het omdraaien zien we dat bij vier van de vijf stellingen meer dan 50 procent van de benchmarks het ‘duidelijk oneens’ is.
Dat gaat om:
- een overzicht van het aantal oproepbare vrijwilligers (80 procent van de benchmarks) 
- een overzicht van het aantal mantelzorgers (69 procent)
- een overzicht van het aantal reservisten (67 procent)
- een overzicht van het aantal medewerkers dat er een bedrijf naast heeft (56 procent)

In totaal 12 procent van de opties score ≥ 4.0

In totaal heeft 12 procent van de opties een score ≥ 4.0. In de wenselijke situatie is dat 40 procent. Wanneer we de grens bij een score van 3.5 leggen, scoort in de huidige situatie 30 procent boven die grens tegen 69 procent in de wenselijke situatie.

 

Lagere scores dan 2.8 (‘mee oneens’ tot en met ‘volstrekt mee oneens’) komen veelvuldig voor. Met name bij het overzicht van mantelzorgers, reservisten en oproepbare vrijwilligers.

 

We zien bij de bedrijfsbenchmarks dat de instemming bij het overzicht van het loonbeslag bijna overal tussen ‘min of meer mee eens’ en ‘duidelijk mee eens’ zit. Bij de andere vier stellingen lopen de meningen sterk uiteen.

Historische vergelijking met winter 2020 editie

In de winter van 2020 hebben we gevraagd of de rvc weet voor hoeveel procent van de medewerkers en voor hoeveel procent van het management in Nederland een loonbeslag is gelegd. De resultaten van dat onderzoek zijn niet uitgesplitst naar benchmark via een regressieanalyse, maar zijn verdeeld onder profitsector en non-profitsector. De rvc wist die percentages niet en hoewel er wel sprake was van veranderwensen was er weinig wens om dat wel te weten. Alleen bij het loonbeslag bij het management twijfelde de profitsector of de rvc dat zou moeten weten.

Anno 2025 zien we dat overall gemiddeld respondenten het er ‘min of meer duidelijk mee eens’ zijn dat de organisatie een overzicht moet hebben van hoeveel medewerkers een loonbeslag hebben. Dit geldt ook voor een groot deel van de afzonderlijke benchmarks.
Een één-op-één-vergelijking gaat mank, vanwege het onderscheid dat een rvc of een organisatie iets moet weten. Toch lijkt het er op, ook op basis van de interviews, dat er sprake is van een, ons inziens, positieve ontwikkeling op dit gebied.

9.3Enige bespiegelingen/vragen/kanttekeningen

Mantelzorg, wel of geen onderwerp voor een rvc?

In februari van dit jaar (2026) bracht de SER een rapport uit met de titel: “Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving. Een integrale aanpak voor een werkende combinatie“. Daarin staat onder andere dat ‘Circa vijf miljoen mensen zorgen voor een naaste met fysieke of mentale gezondheidsproblemen en verlenen daarmee mantelzorg. Zo’n twee miljoen mensen doen dat naast een betaalde baan.”
We hebben te maken met een toenemende vergrijzing en groeiend tekort aan (zorg)-handjes aan het bed. Dat betekent dat de kans ook groter wordt dat het de organisatie gaat raken van de commissaris (voor zover nog niet van toepassing). Die kan op dit moment niet aangeven of de organisatie een goed overzicht heeft van hoeveel medewerkers op dit moment mantelzorger zijn. Uitzondering daarbij zijn de commissarissen van een klein(ere) organisatie in MKB of culturele sector. Die hebben wel het idee dat de directie dermate korte lijnen heeft dat ze wel in de gaten hebben of iemand ook mantelzorger is of niet.
Het is voor alle benchmarks een, meestal urgente, veranderwens. Voor de bedrijfsbenchmarks een (urgente) verbeterwens en bij de persoonsgebonden benchmarks is het fiftyfifty, deels een (urgente) verbeterwens en deels een (urgent) bespreekbaar punt. Dat laatste wil zeggen dat de respondenten niet altijd neigden naar instemming met de stelling. Tijdens de interviews vroegen ook enkelen waarom de commissaris dat zou moeten weten of vragen.  
Uit oogpunt van risicomanagement en uit oogpunt van organisatiecultuur lijkt het ons een relevant onderwerp voor zowel de organisatie als voor de rvc. Is het niet goed om te weten of het onderwerp mantelzorg als thema is aangesneden binnen de organisatie? Is sprake van een algemeen beleid (verlofmogelijkheden) of hangt het af van de manager of men rekening houdt met mantelzorg van een medewerker? En heeft de ene medewerker dan meer geluk dan een andere medewerker? Wat als het ‘keypersons’ betreft? Moet ondersteuning bij mantelzorg wel of niet tot de organisatiecultuur horen? En volgt het aantal medewerkers in de organisatie die mantelzorg verlenen de landelijke trend (of juist niet?). En weet de rvc welke commissaris en/of lid-rvb mantelzorger is? Kortom, het lijkt ons dat er voldoende te vragen en onderzoeken valt.

Hoe is het gesteld met de sociale antenne van de rvc/commissaris?

Een van de veronderstelde bijdragen van commissarissen aan een organisatie/bedrijf betreft het naar binnen brengen van ‘geluiden/signalen’ uit de buitenwereld. Daarnaast dient een rvc rekening te houden met de diverse belanghebbenden, waaronder ook medewerk(st)ers en management. Nu is het al een paar jaar duidelijk dat een zeer groot aantal huishoudens in Nederland in een situatie verkeert van problematische schulden. En het is aannemelijk dat dit in andere landen niet veel anders is en in sommige landen zelfs veel erger. Uit de antwoorden blijkt dat commissarissen hier, in ieder geval met betrekking tot Nederland, onvoldoende zicht op hebben in relatie tot de medewerk(st)ers en managers bij hun bedrijf. Een aantal vragen komt bij ons op. Verkeren de commissarissen in een dusdanige sociale bubbel dat zij nooit in aanraking komen met mensen met problematische schulden? Of is dat wel het geval en maken deze commissarissen geen vertaalslag naar de organisatie waar zij commissaris zijn? Of denken ze dat het voor hun bedrijf niet relevant is? En mogen ze het bij dit denken laten? Wat is hun opvatting ten aanzien van de signalen van buiten die zij moeten opvangen en aan de orde moeten stellen bij hun bedrijf? Op deze vragen hebben wij geen antwoorden. Wel kunnen wij ons niet aan de indruk onttrekken dat ook commissarissen een eigen referentiekader en wereldbeeld hebben, waarbij zij zich onvoldoende bewust zijn van de impliciete veronderstellingen en kaders die zij hanteren. Misschien is het goed dit geregeld aan de orde te stellen.
Schuldenproblematiek doet zich namelijk niet alleen voor bij mensen met lage inkomens, maar ook bij mensen met hogere inkomens. En als we weten dat zeker één op de vijf huishoudens problematische schulden heeft, waarom zou het dan bij bedrijven en organisaties niet bijvoorbeeld één op de tien zijn? Volgens een berekening van het NIBUD kunnen de jaarlijkse kosten van een medewerker in de schoonmaakbranche met een loonbeslag op circa € 13.500,- worden ge­schat als gevolg van lagere productiviteit en ziekteverzuim. Daarnaast blijkt bij dergelijke mede­werkers/managers de gevoeligheid voor fraude ook niet te verwaarlozen. Al met al naast het menselijk leed dat hier achter schuilt ook bedrijfsmatig een serieus aandachtspunt.

Een commissaris als reservist, mag dat?

In maart 2026 zijn er ruim 9.000 reservisten, een stijging van ongeveer 1.400 ten opzichte van het jaar ervoor. Het streven van het ministerie is om dit aantal op te krikken naar 20.000 reservisten in 2030. Dat is natuurlijk nog steeds een klein aantal op de werkende bevolking. Niettemin geldt ook hier dat, net als bij de mantelzorg, de kans groter wordt dat het de organisatie gaat raken. Defensie heeft afspraken met ruim vierhonderd werkgevers en vakbonden en werkgevers hebben aangegeven afspraken hierover in CAO’s te willen vastleggen. Ook omdat defensie veelal zoekt naar mensen waar al een tekort aan is in de samenleving, zoals mensen die werken in de zorg of in de techniek.
Respondenten zijn het er ‘min of meer mee eens’ of ‘duidelijk mee eens’ dat het wenselijk is dat de organisatie een overzicht heeft van hoeveel medewerkers reservist zijn. In de meeste gevallen is dat overzicht er nu niet of veel waarschijnlijker: de commissaris weet niet of zo’n overzicht er is. Kortom, over de hele linie zijn er urgente verbeterwensen.
De vraag is natuurlijk of men dit onderwerp (reservisten) ook op rvc-niveau moet bespreken? Is dit aan de rvb/organisatie en neemt die daar een standpunt over in of is dat aan de individuele medewerker? Mogen sleutelfiguren in de organisatie zo’n bijbaan ernaast doen (datzelfde geldt ook voor oproepbare vrijwilligers)? En waarom wel of niet? Valt dit te zien als een maatschappelijke bijdrage en kan dit dan zelfs onder het kopje ESG worden gehangen? Of gaat het om hetzelfde dilemma waar pensioenfondsen nu mee worstelen, wel of niet investeren in de wapenindustrie? En buitenlandse medewerkers zoals die van de Israelian Defence Force? De commissaris zelf als reservist of toekomstig dronepiloot? Gezien het verbeterpercentage bij commissarissen voor alle AI, digital en cyber gerelateerde zaken zal dit laatste vermoedelijk niet voor de hand liggen? Het lijkt ons dat men hier, ook door rvc en rvb, best een gesprek over mag voeren.

Zijn ommissarissen en overige respondenten wakker geschud?

De stellingen die in dit hoofdstuk aan de orde zijn gesteld hebben alle de facto betrekking op de beschikbaarheid van medewerk(st)ers. Zowel bij mantelzorgers als mensen met een loonbeslag kan je zeggen dat er sprake is van een ‘negatieve’ component in die zin dat we hier denken aan situaties als burn-out en aanpalende redenen voor verzuim. Bij reservist en oproepbare vrijwilliger is de oorzaak een onttrekking aan de beschikbaarheid vanwege een ‘maatschappelijk gezien’ inzet elders. En bij de medewerk(st)ers met een eigen bedrijf kan naast beperkte beschikbaarheid loyaliteitskeuze ook een rol spelen. Gegeven de krapte op de arbeidsmarkt en rekening houdend met een verantwoord HR-beleid naar de medewerk(st)ers is het merkwaardig dat genoemde onderwerpen eigenlijk nauwelijks aandacht hebben gekregen. Bekend is dat mantelzorgers een hogere kans op ziekteverzuim lopen. Maar ook is het de vraag of er naast de hier genoemde onderzochte voorbeelden voldoende oog is voor de mensen waarvan men altijd verwacht dat zij de afwezigheid van collega’s opvangen, bijvoorbeeld medewerkers, die geen zorgverlof of ouderschapsverlof hebben. Kijkt men niet altijd naar deze medewerk(st)ers als ze een gat moeten opvullen? Gelukkig is er een brede consensus dat men de genoemde situaties moet bekijken. We zijn benieuwd naar de resultaten.

Kijk naar samenwerking buiten bedrijf voor en met oproepbare vrijwilligers

Oproepbare vrijwilligers vervullen doorgaans een maatschappelijk belangrijke taak. Als we bijvoorbeeld eens inzoomen op de vrijwillige brandweer. Bekend is dat die niet alleen met een tekort aan vrijwilligers wordt geconfronteerd, maar ook niet altijd over de gewenste faciliteiten beschikt. Voor al de onderscheiden benchmarks is het van belang dat men op deze dienst succesvol een beroep kan doen. Is het dan niet relevant zijn om, ook vanwege de geopolitieke ontwikkelingen, eens na te denken of organisaties/bedrijven medewerkers niet moeten stimuleren om bijvoorbeeld brandweervrijwilliger te worden en misschien zelfs te investeren in de uitrusting/faciliteiten van de brandweer? Samen kunnen we meer bereiken, dan alleen maar te zeggen de overheid moet dit of dat? ‘Gisteren was dat niet gebruikelijk, maar moeten we het voor ‘morgen’ niet gaan regelen?

Als de reservist een key-functionaris is, wat dan?

Als gevolg van de geopolitieke ontwikkelingen is de reservist meer in de belangstelling komen te staan. Los van het aantal reservisten dat in een bedrijf werkzaam is, lijkt het ons niet onverstandig om te onderzoeken hoeveel van deze reservisten een key-functie hebben. Vervolgens is het wellicht ook relevant eens een scenario uit te werken hoe een organisatie daarmee om moet gaan als de nood aan de man komt.

Is de benchmark HR echt en op tijd wakker geworden en hoe staat het nu met de rest van de rvc?

Opvallend is dat van de persoonlijke benchmarks alleen de commissaris die lid is van de remuneratie en/of selectie en benoemingscommissie (HR) in de wenselijke situatie nagenoeg structureel hoger scoort dan het basisprofiel. Daarnaast laat deze benchmark op alle onderdelen die we in dit hoofdstuk onderzochten een veelal urgente verbeterwens zien. Alleen voor het loonbeslag is dit een forse verbeterwens. De veranderwensen zijn ook bij de andere persoonlijke benchmarks te zien, maar daar is de instemming in de wenselijke situatie meestal lager. De vraag is net als bij alle andere benchmarks: hoe gaat HR de geconstateerde verbeteringen proberen te realiseren en in welk tempo? Kan HR de andere commissarissen overtuigen van de urgentie op de onderscheiden gebieden?

.