Samenvatting
Wenselijke situatie
Bij het basisprofiel zien we een lichte tweedeling, het is ‘min of meer wenselijk’ om te kijken naar zowel Europese software als hardware alternatieven. De bereidheid om daarin te investeren zit een klasse lager in ‘neigt naar instemming’.
Er zijn geen stellingen/opvattingen waarbij minimaal de helft van de benchmarks het ‘duidelijk eens’ is. Het dichtst in de buurt komt de stelling over het door de organisatie kijken naar Europese software alternatieven. Daar is 39 procent van de benchmarks het ‘duidelijk mee eens’.
Veranderwensen
Het kijken naar Europese hardware alternatieven kent met dertien benchmarks (van de vijftien) de meeste veranderwensen, gevolgd door de bereidheid om daar ook in te investeren met elf benchmarks. Overigens is een groot aantal van de veranderwensen een bespreekbaar geworden punt. Kijken naar Europese software alternatieven (negen benchmarks) en bereidheid om daar in te investeren (vijf benchmarks) hebben minder veranderwensen.
Huidige situatie
Bij het basisprofiel valt alleen de stelling dat de organisatie heeft gekeken naar Europese software alternatieven in de klasse ‘min of meer mee eens’ qua instemming. Er is verder amper gekeken naar Europese hardware alternatieven of bereidheid te investeren in Europese software- of hardwarealternatieven.
Bij de bedrijfsbenchmarks is de non-profitsector het nagenoeg overal ‘mee oneens’. Kijken of bereidheid tot investeren is er nu niet. Op enkele ‘lichtpuntjes’ na geldt dat ook voor de profitsector. Alleen het beursgenoteerde bedrijf kent nog enige mate van positieve instemming.
Onderzoeksvraag
Aan de respondenten zijn vier stellingen voorgelegd met betrekking tot risicomanagement en gericht op of er gekeken is naar en bereidheid is om te investeren in Europese software en hardware alternatieven. We hebben deze stellingen niet eerder voorgelegd en hebben daarom geen vergelijkingsmateriaal uit eerdere jaren.
We hebben de 5-puntsschaal gebruikt met: 1 = volstrekt oneens, 2 = oneens, 3 = deels oneens/deels eens, 4 = eens en 5 = volstrekt mee eens.
5.1Wenselijke situatie
.
Basisprofiel: kijken maar nog niet kopen?
Basisprofiel
Bij het basisprofiel zien we een lichte tweedeling, het is min of meer wenselijk om te kijken naar zowel Europese software als hardware alternatieven. De bereidheid om daarin te investeren zit een klasse lager in ‘neigt naar instemming’.
Draagvlak: hoe breed delen de benchmarks de wenselijkheid?
Alleen wat oog voor Europese software alternatieven
Er zijn geen stellingen waarbij minimaal de helft van de benchmarks het ‘duidelijk mee eens’ is (score > 4.0). Het dichtst in de buurt komt de stelling over het door de organisatie bekijken van Europese software alternatieven. Daar is 39 procent van de benchmarks het duidelijk eens. Overigens zijn dit alleen persoonsgebonden benchmarks.
.
Vaak tussen ‘min of meer mee eens’ en ‘deels eens/deels oneens’. Fam meestal laagste instemming
Bedrijfsbenchmarks
In de profitsector zien we dat GB twee keer materieel afwijkt (een keer positief en een keer negatief), MKB twee keer negatief en Fam drie keer negatief. Dat de organisatie moet gaan kijken naar Europese software alternatieven neigt bij Fam naar instemming en het beursgenoteerde bedrijf (basisprofiel) is het daar ‘min of meer mee eens’. GB en MKB zijn een stuk minder enthousiast en zitten qua instemming in de ‘deels oneens/deels eens’ hoek. De bereidheid om te investeren in Europese software alternatieven zit bij Fam in dezelfde hoek terwijl bapr en MKB daar ‘neigen naar instemming’ en GB het daar net aan ‘min of meer mee eens’ is.
De bereidheid van de organisatie(s) om te kijken naar en te investeren in Europese hardware schommelt ook tussen de ‘deels oneens/deels eens’ en ‘min of meer mee eens’.
In non-profitsector bij stellingen vaak lagere instemming dan basisprofiel
In de vergelijking met de benchmarks in de non-profitsector zien we enkele grote verschillen met het basisprofiel. En ook hier geldt dat deze verschillen een lagere instemming betekenen bij de non-profitbenchmarks dan bij het basisprofiel.
Bij Zorg is er de facto sprake van een afwijzing van de stellingen. Corp zit bij de laatste drie stellingen in de ‘deels oneens/deels eens’-klasse en net als bij Zorg wijst Corp het bekijken door de organisatie van Europese software alternatieven af. ONP kent relatief de meeste instemming en neigt naar instemming bij het bekijken en eventueel investeren in Europese software alternatieven. Kijken naar en investeren in Europese hardware alternatieven is ook hier niet populair.
.
Jong meer overtuigt van bekijken en investeren
Persoonsgebonden benchmarks
Bij de commissarissen is het beeld een stuk rustiger in vergelijking met de bedrijfsbenchmarks. VZ, HR en Merv hebben nagenoeg dezelfde opvattingen als bapr. Jong wijkt drie keer materieel en positief af. VR twee keer materieel en positief (bij Europese software), rvbEL één keer en positief. AC heeft als enige juist twee keer minder instemming dan het basisprofiel (bij Europese hardware).
Grotere bereidheid om te kijken naar Europese software alternatieven
Bij de niet-commissarissen zien we dat DIR het duidelijk eens is dat de organisatie moet gaan kijken naar Europese software en hardware alternatieven. Secr en IA sluiten aan bij het bekijken van Europese software alternatieven. Secr wijkt daarnaast nog één keer positief af bij de bereidheid van de organisatie om te investeren in Europese hardware alternatieven.
5.2Veranderwensen en huidige situatie
.
Twee verbeterwensen
Basisprofiel
Het basisprofiel heeft twee verbeterwensen en dat is voor het kijken naar en de bereidheid om te investeren in Europese hardware alternatieven.
.
Overall veranderpercentage van 60 procent hoog
Andere benchmarks
Voor alle benchmarks gezamenlijk is het veranderpercentage met 60 procent hoog. De scores van die veranderingen liggen in de wenselijke situatie niet allemaal boven de 3.2. Dat betekent dat niet alle veranderwensen ook verbeterwensen zijn, maar ook voor een deel bespreekbaar geworden punten. Voor de bedrijfsbenchmarks in totaal is het percentage 79 procent. De profitsector heeft een lager veranderpercentage dan de non-profitsector (63 om 100 procent).
Voor de persoonsgebonden benchmarks is het overall veranderpercentage 44 procent, waarbij de commissarissen een veranderpercentage van 50 procent hebben en de niet-commissarissen 17 procent.
.
GB bij alle vier stellingen verbeterwensen
Bedrijfsbenchmarks
In de profitsector heeft GB overal (deels urgente) verbeterwensen en de andere twee benchmarks telkens twee veranderwensen. GB, MKB en Fam delen hun veranderwens ten aanzien van de stelling dat de organisatie Europese software alternatieven heeft bekeken. Bapr, GB en MKB delen hun veranderwens ten aanzien van de stelling dat de organisatie Europese hardware alternatieven heeft bekeken. Investeren in Europese software alternatieven is voor GB een verbeterwens en voor Fam een bespreekbaar punt. Investeren in Europese hardware alternatieven is voor Bapr en GB een verbeterwens.
Vaak urgente veranderwensen in non-profitsector
Ook bij de benchmarks in de non-profitsector zien we veel veranderwensen, die men vaak deelt. Corp, Zorg en ONP hebben bij alle vier de stellingen (deels urgente) veranderwensen (meestal bespreekbaar geworden punten).
OW heeft bij deze vier stellingen te weinig waarnemingen. Bij Cult geldt dit bij drie van de vier stellingen.
.
Vooral bij de Europese hardware alternatieve veel veranderwensen
Persoonsgebonden benchmarks
Bij de commissarissen concentreren de veranderwensen zich vooral rond het bekijken van en investeren in Europese hardware alternatieven. Op Merv na hebben alle andere commissarissenbenchmarks daar een veranderwens. Merv heeft als enige geen enkele veranderwens. VR en rvbEL hebben daarnaast nog een verbeterwens bij het bekijken als organisatie van Europese software alternatieven.
Bij de niet-commissarissen heeft DIR een urgente verbeterwens bij het bekijken als organisatie van Europese hardware alternatieven.
.
Gedeelde veranderwensen
Het kijken naar Europese hardware alternatieven kent met dertien benchmarks (van de vijftien) de meeste veranderwensen, gevolgd door de bereidheid om daar ook in te investeren met elf benchmarks. Kijken naar Europese software alternatieven (negen benchmarks) en bereidheid om daar in te investeren (vijf benchmarks) hebben minder veranderwensen.
Huidige situatie
.
Basisprofiel kent matige tot geen instemming bij vier stellingen
Basisprofiel
Bij het basisprofiel valt alleen de stelling dat de organisatie heeft gekeken naar Europese software alternatieven in de klasse ‘min of meer mee eens’ qua instemming. Bereidheid daarin te investeren en/of er door de organisatie is gekeken naar Europese hardware alternatieven valt in de klasse ‘deel mee oneens/deels mee eens’. Er is nog geen bereidheid bij de organisatie om ook daadwerkelijk te investeren in Europese hardware alternatieven.
In de huidige situatie is bij geen van de vier stellingen meer dan de helft van de benchmarks het er minimaal ‘duidelijk mee eens’.
In de huidige situatie is daarentegen bij één van de vier stellingen meer dan de helft van de benchmarks het minimaal (duidelijk) oneens. Dat betreft de stelling:
- onze organisatie is bereid te investeren in Europese hardware alternatieven (69 procent van de benchmarks).
In totaal slechts 2 procent van de opties score ≥ 4.0
In totaal heeft 2 procent van de opties een score ≥ 4.0. In de wenselijke situatie is dat 13 procent. Wanneer we de grens bij een score van 3.5 leggen, scoort in de huidige situatie 17 procent boven die grens tegen 42 procent in de wenselijke situatie.
Bij de bedrijfsbenchmarks is de non-profitsector het nagenoeg overal ‘mee oneens’. Kijken of bereidheid tot investeren is er nu niet. Op enkele ‘lichtpuntjes’ na geldt dat ook voor de profitsector. Alleen het beursgenoteerde bedrijf kent nog enige mate van positieve instemming, zoals gezegd.
Bij de persoonsgebonden benchmarks en de niet-commissarissen is alleen IA duidelijk van mening dat op dit moment al gekeken wordt naar Europese software alternatieven. Op AC na zijn de andere commissarissen benchmarks het daar ‘min of meer mee eens’. AC en rvbEL zijn het gemiddeld het minst eens met de stellingen, IA en Jong het meest.
5.3Enige bespiegelingen/vragen/kanttekeningen
Sense of urgency ontbreekt nog steeds ten aanzien van geopolitieke risico’s
Opvallend is dat zelfs kijken naar Europese software alternatieven in de huidige situatie nagenoeg non-existent is. IA, DIR en Jong zijn met name de positieve uitzonderingen. In de wenselijke situatie is er duidelijk sprake van een vooruitgang op dit gebied, maar nog steeds lijkt er sprake te zijn van terughoudendheid. Dat blijkt vooral uit de geringe animo om te investeren in Europese software alternatieven.
Ten aanzien van het kijken naar Europese hardware alternatieven en het daarin investeren is de situatie nog minder florissant. Bij diverse benchmarks is de veranderwens een bespreekbaar geworden punt. We moeten er misschien eens over praten. Wij kunnen ons niet onttrekken aan de indruk dat we kijken naar kikkers in een pan water op een brandende pit. De parallel met het optreden van diverse overheden en politici is ons inziens groot. Is het niet zaak om als overheden en bedrijfsleven gezamenlijk, bij voorkeur op Europees niveau, versneld stappen te zetten? En als dat niet kan met een coalitie of the willing aan de slag te gaan? En desnoods alleen op nationaal niveau. Met praten, praten en afwachten kunnen we straks niet meer stappen.
Waarom zijn commissarissen zo terughoudend?
In ons vorige onderzoek hebben we ons verbaasd over het gebrek aan alertheid en ook wel kennis van het risicomanagement bij de commissarissen van de diverse benchmarks. Dit onderzoek bevestigt dat beeld weer. We vragen ons af of het denken in middellange termijn plannen met een looptijd van tussen de drie en vijf jaar commissarissen en bestuurders niet blind heeft gemaakt voor de wereld over bijvoorbeeld tien jaar. Veel zaken zijn niet binnen een termijn van 3 tot 5 jaar te realiseren. Maar als je vergeet voorbij die middellange termijn te kijken en deze bespreekbaar te maken, dan is de kans aanwezig dat er structureel verkeerde beslissingen worden genomen. Soms moet je accepteren dat je als commissaris en/of bestuurder beslissingen moeten nemen in het belang van je organisatie en misschien ook de maatschappij, waarvan je weet dat je de resultaten niet meer meemaakt. Maar misschien hebben al die commissarissen en bestuurders zelf kinderen en (achter)kleinkinderen die het wel mee gaan maken wat de uitkomst is en daarmee hopelijk blij zijn dat hun voorgeslacht een bijdrage heeft geleverd, waarvan zij de vruchten mogen plukken.
Een andere verklaring kan zijn dat commissarissen en bestuurders zo gefixeerd zijn op die ‘magische’ winst, dat zij zich niet realiseren dat winst gerealiseerd kan worden omdat er ondernemingsrisico is genomen. En die winst moet dan wel worden gerealiseerd binnen hun zittingstermijn. Maar wellicht is dit laatste wel een gevaarlijke utopie.
Een derde verklaring is misschien dat onbekend onbemind maakt. De toekomst kunnen we niet voorspellen. Maar ook weten we dat regeren vooruitzien is. Hoe brengen we deze bij elkaar? Door er niet over te praten? Kost minder tijd op korte termijn. En après nous le déluge?
Een laatste en vanzelfsprekend meest onwaarschijnlijke verklaring; er zijn mensen bewust onbekwaam. Andere mensen zijn onbewust onbekwaam. Commissarissen en bestuurders zijn nog steeds ook mensen. En in welke categorie vallen de commissarissen en de bestuurders? Soms kun je dat als buitenstaander zien, maar soms kan iemand met enige zelfreflectie dat ook zien als hij/zij in de spiegel kijkt en wil zien wat hij/zij ziet en niet wat hij/zij wil zien.