Samenvatting
Wenselijke situatie
Iedereen is van mening dat het fiscale handelen van de organisatie moet voldoen aan maatschappelijk breed aanvaarde normen en waarden. Verder zien we een ruime meerderheid die vindt dat de rvc en rvb gezamenlijk voldoende moeten spreken over het belastingbeleid van de organisatie (81 procent) en het ook wenselijk vindt dat de rvc voldoende op de hoogte is van het belastingbeleid van de organisatie (76 procent). Net meer dan helft (56 procent) vindt het niet wenselijk dat het belastinggedrag van individuele rvc- en rvb-leden de reputatie van de organisatie schaadt.
Verder zien we een ruime meerderheid die van mening is dat de organisatie meetbare duurzaamheidsdoelen moet formuleren (89 procent van de benchmarks mee eens), dat de rvb (voldoende) bekwaam moet zijn om de duurzame ontwikkeling vorm te geven (88 procent). Een meerderheid (meer dan de helft) vindt het ook wenselijk dat de organisatie (voldoende) bekwaam is om de duurzame ontwikkeling vorm te geven (71 procent), dat sociale factoren voldoende worden meegewogen in het beloningsbeleid van de rvb (69 procent), dat de beloning van de meest en minst verdienende medewerker voldoende in balans is (65 procent), dat de drijfveer bij senior management voor het voldoen aan ESG vooral eigen intrinsieke motivatie is (63 procent) en dat ook de drijfveer bij de rvb voor het voldoen aan ESG vooral eigen intrinsieke motivatie is (53 procent).
Veranderwensen
Voor alle benchmarks gezamenlijk is het veranderpercentage met 43 procent hoog. De scores van die veranderingen liggen in de wenselijke situatie niet allemaal boven de 3.2. Dat betekent dat een deel ook bespreekbare punten betreft (score < 3.2). Er zijn vijf stellingen die met kop en schouders boven de andere uitsteken als het gaat om breed gedeelde veranderwensen. Bij deze vijf stellingen zijn minimaal elf benchmarks die daar een (urgente) verbeterwens hebben:
• Milieufactoren worden voldoende meegewogen in het beloningsbeleid van de organisatie (14 benchmarks).
• Sociale factoren worden voldoende meegewogen in het beloningsbeleid van de organisatie (14 benchmarks).
• Governance factoren worden voldoende meegewogen in het beloningsbeleid van de organisatie (11 benchmarks).
• De organisatie is voldoende bekwaam om de duurzame ontwikkeling vorm te geven (11 benchmarks).
• Drijfveer bij rvc voor voldoen aan ESG is vooral intrinsieke motivatie (11 benchmarks).
Er is één stelling waar geen enkele benchmark een verbeterwens heeft:
• Het fiscale handelen van de organisatie voldoet aan maatschappelijk breed aanvaarde normen/waarden.
Huidige situatie
In de huidige situatie is minimaal de helft van het totaal aantal benchmarks, inclusief het basisprofiel, het minimaal duidelijk eens met de volgende vier stellingen. Dit zijn:
• Het fiscale handelen van de organisatie voldoet aan maatschappelijk breed aanvaarde normen/waarden (100 procent, alle benchmarks).
• De rvc en de rvb hebben voldoende gezamenlijk gesproken over het belastingbeleid van de organisatie (75 procent).
• Mijn organisatie heeft meetbare duurzaamheidsdoelen geformuleerd (61 procent).
• De rvc is voldoende op de hoogte van het belastingbeleid van de organisatie (59 procent).
Aan de andere kant zien we dat minimaal de helft van het totaal aantal benchmarks zich niet kan vinden in de stelling dat het belastinggedrag van individuele rvc- en rvb-leden de reputatie van de organisatie schaadt.
Onderzoeksvraag
Net als voorgaande jaren hebben we ook nu weer enkele stellingen opgenomen die betrekking hebben op ESG. Een van deze zeventien stellingen hebben we eerder voorgelegd. De andere zestien zijn nieuw en dat betekent dat we die niet kunnen vergelijken in tijd. We hebben de 5-puntsschaal gebruikt met 1 = volstrekt oneens, 2 = oneens, 3 = deels oneens/deels eens, 4 = eens en 5 = volstrekt mee eens.
We hebben de 5-puntsschaal gebruikt met 1 = volstrekt oneens, 2 = oneens, 3 = deels oneens/deels eens, 4 = eens en 5 = volstrekt mee eens.
6.1 Wenselijke situatie
Gewenste situatie basisprofiel
Bij het basisprofiel valt geen enkele stelling in de klasse ‘volledig mee eens’ (score ≥ 4.5). De klasse ‘duidelijk mee eens’ (4 ≤ score < 4.5) is daarentegen ruim bezet. Liefst negen stellingen vallen hierin. Van voldoen aan maatschappelijk breed aanvaarde normen en waarden met het fiscale handelen van de organisatie tot en met milieufactoren worden voldoende meegenomen in het beloningsbeleid.
De instemming met de drie stellingen betreffende de eigen intrinsieke motivatie als drijfveer om te voldoen aan ESG valt net onder de afkapgrens van 4.0. Samen met de stelling dat governance factoren voldoende worden meegewogen in het beloningsbeleid van de rvb vallen deze stellingen in de klasse ‘min of meer mee eens’ (3.5 ≤ score < 4.0).
In de klasse ‘neigt naar instemming’ (3.2 ≤ score < 3.5) bevinden zich de stellingen dat de drijfveer voor het voldoen aan ESG voor zowel rvc, rvb als senior management vooral een wettelijke verplichting is.
De enige stelling in de klasse ‘deels oneens/deels eens’ (2.8 ≤ score < 3.2) gaat over het belastinggedrag van individuele rvc- en rvb-leden. Het antwoord neigt naar dat dit niet wenselijk is. Overigens leidde deze vraag tot een interpretatieprobleem om te beantwoorden1.
1In de bespiegelingen komen we hierop terug.
.
Overall valt 51 procent van de onderwerpen in de klasse ‘duidelijk mee eens’ of hoger.
Meetbare duurzaamheidsdoelstellingen en maatschappelijk geaccepteerd fiscaal handelen breed wenselijk gevonden
Draagvlak: hoe breed delen de benchmarks de wenselijkheid?
De procentueel meest gedeelde opvattingen (score ≥ 4.0) door de benchmarks zijn:
- Mijn organisatie heeft meetbare duurzaamheidsdoelen geformuleerd (89 procent).
- De rvb is (voldoende) bekwaam om de duurzame ontwikkeling vorm te geven (88 procent).
- De organisatie is (voldoende) bekwaam om de duurzame ontwikkeling vorm te geven (71 procent).
- Sociale factoren worden voldoende meegewogen in het beloningsbeleid van de rvb (69 procent).
- De beloning meest en minst verdienende medewerker is voldoende in balans (65 procent)
- Drijfveer bij senior management voor voldoen aan ESG is vooral eigen intrinsieke motivatie (63 procent).
- Drijfveer bij rvb voor voldoen aan ESG is vooral eigen intrinsieke motivatie (53 procent).
Belastingen
- Het fiscale handelen van de organisatie voldoet aan maatschappelijk breed aanvaarde normen/waarden (100 procent, iedereen eens).
- De rvc en rvb hebben voldoende gezamenlijk gesproken over het belastingbeleid van de organisatie (81 procent).
- De rvc is voldoende op de hoogte van het belastingbeleid van de organisatie (76 procent).
56 procent is het oneens met de stelling dat het belastinggedrag van individuele rvc- en rvb-leden de reputatie van de organisatie schaadt. Verder moet het voldoen aan ESG niet als wettelijke verplichting worden gezien.
Andere benchmarks vergeleken met het basisprofiel
Overall afwijkingsper-centage hoog bij non-profitsector
Overall is het afwijkingspercentage substantieel bij de bedrijfsbenchmarks (36 procent). Dat komt voornamelijk vanuit de non-profitsector met 42 procent. Voor de profitsector is het percentage met 27 procent lager. Het overall afwijkingspercentage bij de persoonsgebonden benchmarks is met 14 procent laag.
.
Redelijke instemming bij GB, MKB en Fam met Bapr
Bedrijfsbenchmarks
Bij de profitsector is sprake van een vrij grote overeenstemming met het basisprofiel. GB wijkt slechts eenmaal negatief af, MKB tweemaal negatief en Fam juist tweemaal positief. MKB vindt het minder wenselijk dat de rvc inzicht heeft in de effecten van de organisatie op het klimaat en Fam vindt het juist wenselijker dat de organisatie alleen zaken doet met leveranciers waar de medewerkers een leefbaar inkomen hebben.
Corp wijkt niet veel af, Zorg en OW juist veel
In de non-profitsector zien we meer afwijkingen van het basisprofiel, die voor het grootste deel negatief van aard zijn. OW wijkt negen keer af, Zorg acht keer, ONP zes keer en Corp slechts vijf keer. Alle vier scoren materieel lager in wenselijkheid bij de stelling: drijfveer bij rvb voor voldoen aan ESG is vooral wettelijke verplichting. Alle vier geven hier aan dat dit het tegenovergestelde is. Verder wijkt alles met betrekking tot de beloning af van het basisprofiel bij deze twee, maar opmerkelijk genoeg niet bij Corp.
Grosso modo is bij alle bedrijfsbenchmarks de intrinsieke motivatie hoger qua wenselijkheid dan de wettelijke verplichting bij het voldoen aan ESG.
.
Grote instemming met basisprofiel
Persoonsgebonden benchmarks
Bij de persoonsgebonden benchmarks bij de commissarissen zien we veel minder materiële afwijkingen. VR nul keer, VVZ en Jong beide slechts één keer, VZ tweemaal, rvbEL en Merv elk driemaal, en AC viermaal. Enige opvallende afwijkingen zijn dat AC bij de drie factoren voor het beloningsbeleid een lagere instemming heeft dan het basisprofiel. Wat betreft de governancefactoren komt die instemming zelfs in de twijfelachtige sfeer. Dat betekent bijvoorbeeld ook dat, als men naar de nabije toekomst kijkt, het geen verschil maakt hoe oud iemand is.
Bij de niet-commissarissen heeft DIR bij vier stellingen minder instemming dan het basisprofiel, de internal auditor heeft juist bij drie stellingen meer instemming en de secretaris laat geen materiële afwijking zien.1 De internal auditor heeft opvallend fors meer instemming bij de stellingen dat de drijfveer bij de rvb en rvc voor het voldoen aan ESG vooral wettelijke verplichting is.
1De secretaris heeft slechts bij een stelling voldoende waarnemingen, de internal auditor bij twaalf en lid rvb bij zestien.
6.2 Veranderwensen en huidige situatie
.
Drie verbeterwensen
Basisprofiel
Bij het basisprofiel doen zich drie verbeterwensen voor. Het gaat om het meer laten meewegen van milieu- en sociale factoren in het beloningsbeleid van de rvb en dat het voldoen aan ESG meer een eigen intrinsieke motivatie zou mogen zijn bij de rvc.
.
Hoog overall veranderpercentage
Andere benchmarks
Voor alle benchmarks gezamenlijk is het veranderpercentage met 43 procent hoog. De scores van die veranderingen liggen in de wenselijke situatie niet allemaal boven de 3.2. Dat betekent dat een deel ook bespreekbare punten betreft (score < 3.2). Dat zijn er zeventien van de 120 veranderwensen. Voor de bedrijfsbenchmarks in totaal is het percentage 40 procent. De profitsector heeft een iets minder grote wens tot verandering (37 procent) dan de non-profitsector (45 procent).
Voor de persoonsgebonden benchmarks is het overall veranderpercentage 39 procent. Bij de commissarissen benchmarks is dat 40 procent en bij de niet-commissarissen 48 procent.
.
Milieu en sociale factoren moeten bij alle vier meer meegewogen worden bij beloningsbeleid rvb
Bedrijfsbenchmarks
In de profitsector zien we een tweedeling, waarbij het basisprofiel en het MKB drie en vier veranderwensen hebben en GB en Fam respectievelijk acht en tien. Alle vier hebben verbeterwensen bij het meewegen van milieu- en sociale factoren in het beloningsbeleid van de rvb. Zowel GB, MKB en Fam hebben alle drie ook een verbeterwens bij het meer meewegen van governance factoren en bij de drijfveer voor het voldoen aan ESG bij rvb met betrekking tot de eigen intrinsieke motivatie. Dat laatste is ook een pijnpunt voor het basisprofiel, GB en Fam als het gaat over de rvc. Overigens hebben de veranderwensen bij het beloningsbeleid bij MKB en Fam een urgent karakter.
Verder zijn van de vier veranderwensen bij het MKB er twee urgent en één een urgent bespreekbaar punt. Fam heeft urgente verbeterwensen, waaronder voor het bekwaam genoeg zijn van de rvb voor het vormgeven van de duurzame ontwikkeling en dat de drijfveer bij zowel de rvc als het senior management voor het voldoen aan het ESG meer intrinsieke motivatie moet zijn.
Bij OW en Zorg veel werk aan de winkel
In de non-profitsector is het beeld iets anders. OW steekt er bovenuit met dertien veranderwensen.1 Zorg (8), ONP (7) en Corp (5) hebben er duidelijk minder. Ook deze vier benchmarks willen de milieu- en sociale factoren een grotere rol laten spelen in het beloningsbeleid van de rvb. Die eerste is bij alle vier urgent, hoewel dat bij Zorg een bespreekbaar punt is. Het meewegen van de sociale factoren is bij Corp, OW en ONP urgent. Zorg, OW en ONP hebben alle drie een urgente verbeterwens voor het opstellen van meetbare duurzaamheidsdoelen door de organisatie. Ook vinden ze dat de organisatie nog aan kwaliteit moet winnen om die duurzame ontwikkeling vorm te geven. Zorg en OW hebben ook een urgente verbeterwens voor de drijfveer voor het voldoen aan ESG, die bij de rvc wat meer uit eigen intrinsieke motivatie zou mogen bestaan.
1Zorg heeft bij twee stellingen te weinig waarnemingen.
.
Vicevoorzitter en vrouwelijke commissaris veel verbeterwensen
Persoonsgebonden benchmarks
Bij de commissarissen zijn de vicevoorzitter en de vrouwelijke commissaris de benchmarks met de meeste verbeterwensen (11). Merv (8), Jong en rvbEL (beide 7), AC (4) en VZ (0) hebben er duidelijk minder. Jong heeft drie urgente verbeterwensen bij het beloningsbeleid en VR bij drijfveer bij senior management voor voldoen aan ESG is vooral wettelijke verplichting.Verder valt op dat VR de enige benchmark is met een verbeterwens voor het als rvc voldoende op de hoogte zijn van het belastingbeleid van de organisatie. Opvallend is dat VZ bij dit onderdeel van het onderzoek geen veranderwensen heeft, maar VVC maar liefst elf (van de 17 stellingen).
DIR en IA ook kritisch
Ook bij de niet-commissarissen leven genoeg veranderwensen. DIR heeft er acht, waarvan één urgent. Dat is voor het meewegen van sociale factoren in het beloningsbeleid van de rvb. IA heeft zes veranderwensen waarvan twee urgent. Die zijn voor de ‘rvb is voldoende bekwaam om de duurzame ontwikkeling vorm te geven’ en voor ‘de beloning van de meest en minst verdienende medewerker is voldoende in balans’. Verder delen beide benchmarks forse verbeterwensen bij ‘de organisatie is voldoende bekwaam om de duurzame ontwikkeling vorm te geven’, ‘drijfveer bij rvc voor voldoen aan ESG is vooral intrinsieke motivatie’ en ‘drijfveer bij senior management om te voldoen aan ESG is vooral wettelijke verplichting’.
Gedeelde verbeterwensen
Vijf veel gedeelde veranderwensen
Er zijn vijf stellingen die met kop en schouders boven de andere uitsteken als het gaat om breed gedeelde veranderwensen. Bij deze vijf stellingen zijn minimaal elf benchmarks die daar een (urgente) verbeterwens hebben:
• Milieufactoren worden voldoende meegewogen in het beloningsbeleid van de organisatie (14 benchmarks).
• Sociale factoren worden voldoende meegewogen in het beloningsbeleid van de organisatie (14 benchmarks).
• Governance factoren worden voldoende meegewogen in het beloningsbeleid van de organisatie (11 benchmarks).
• De organisatie is voldoende bekwaam om de duurzame ontwikkeling vorm te geven (11 benchmarks).
• Drijfveer bij rvc voor voldoen aan ESG is vooral intrinsieke motivatie (11 benchmarks).
Er is één stelling waar geen enkele benchmark een verbeterwens heeft:
- Het fiscale handelen van de organisatie voldoet aan maatschappelijk breed aanvaarde normen en waarden.
Huidige situatie
In totaal 23 procent van de opties score ≥ 4.0
In de huidige situatie is minimaal de helft van het totaal aantal benchmarks het minimaal duidelijk eens met de volgende vier stellingen:
• Het fiscale handelen van de organisatie voldoet aan maatschappelijk breed aanvaarde normen en waarden (100 procent, alle benchmarks)
• De rvc en de rvb hebben voldoende gezamenlijk gesproken over het belastingbeleid van de organisatie (75 procent)
• Mijn organisatie heeft meetbare duurzaamheidsdoelen geformuleerd (61 procent)
• De rvc is voldoende op de hoogte van het belastingbeleid van de organisatie (59 procent)
In totaal heeft slechts 23 procent van de opties een score ≥ 4.0. In de wenselijke situatie is dat 51 procent.Wanneer we de grens bij een score van 3.5 leggen, scoort in de huidige situatie 56 procent boven die grens tegen 77 procent in de wenselijke situatie.
Bij de bedrijfsbenchmarks hebben zowel de profit- als de non-profitsector de nodige grote afwijkingen van het basisprofiel. Van de in totaal 67 afwijkingen zijn er hier tien positief en de rest dus negatief. Bijvoorbeeld hoe er gekeken wordt naar het senior management en naar het voldoen aan ESG. GB en ONP zijn het duidelijk eens dat dit bij het senior management voortkomt uit intrinsieke motivatie. Het basisprofiel, Fam, Corp zijn daar het min of meer mee eens. OW zit zelfs in de ‘deels oneens/deels eens-zone’.
Bij het meewegen van milieufactoren in het beloningsbeleid van de rvb scoren bijna alle bedrijfsbenchmarks onder 3.0 en geven daarmee aan dat dat onvoldoende gebeurt. Alleen GB zit in de ‘deels oneens/deels eens-klasse’ en het basisprofiel geeft min of meer mee eens aan.
Bij formulering van meetbare duurzaamheidsdoelstellingen zijn het basisprofiel, GB en Corp het duidelijk eens. Dat leidt tot grote verschillen met MKB en Fam en nog grotere verschillen met Zorg, OW en ONP die daar een (veel) lagere instemming hebben.
Bij de persoonsgebonden benchmarks bij de commissarissen is het beeld iets rustiger, 42 afwijkingen waarvan het grootste deel negatief. VZ en VR wijken het minst af met respectievelijk vier en drie keer. Aan de ander kant zien we Merv (9 keer) en Jong (8 keer). De resterende commissarissenbenchmarks zitten daar tussenin met hun aantal afwijkingen van het basisprofiel. VZ en rvbEL zijn het, in tegenstelling tot het basisprofiel, bijvoorbeeld min of meer eens met de stelling dat de drijfveer bij het senior management voor het voldoen aan ESG ook vooral een wettelijke verplichting is. Jong lijkt wat meer vertrouwen te hebben dan het basisprofiel dat de rvb voldoende bekwaam is om de duurzame ontwikkeling vorm te geven.
Bij de niet-commissarissen wijkt zowel DIR als IA een aantal keer flink af van het basisprofiel met respectievelijke acht en negen keer. Opvallend is dat DIR maar net kan instemmen met de stelling dat de rvc en de rvb voldoende hebben gesproken over het belastingbeleid van de organisatie.
Interessant is dat IA vooral het idee heeft dat het voldoen aan ESG voor de rvc en voor de rvb toch vooral een wettelijke verplichting is.
6.3 Enige bespiegelingen/vragen/kanttekeningen
ESG factoren bij beloningsbeleid
Op voorhand hadden we verwacht dat de stellingen over het beloningsbeleid bij de non-profitsector voor weinig of geen beroering zouden zorgen. Immers: WNT-normering. En als we iets hadden verwacht in de profitsector was dat vooral dat het beursgenoteerde bedrijf daar voorop zou lopen. Voor een deel kloppen die verwachtingen. Maar, u raadt het al, er zijn altijd wat opvallende zaken die we niet helemaal kunnen plaatsen.
Zaak 1 Waarom spelen bij het beursgenoteerde bedrijf governancefactoren een minder grote rol in beloningsbeleid van de rvb dan milieu en/of sociale factoren?
Ja, vergeleken met de andere profitbenchmarks (grootbedrijf, MKB en familiebedrijf) scoren ze op dit moment veel hoger op het laten meewegen van ESG-factoren in het beloningsbeleid van de rvb en voldoet daarmee aan onze verwachtingen. Sec kijkend naar het beursgenoteerde bedrijf valt het verschil in weging op tussen de drie factoren. Zowel in de huidige situatie als in de wenselijke situatie zien we dat er meer animo is om milieu en sociale factoren een rol te laten spelen dan governance factoren. Een verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat er, inmiddels, veel meetbare kpi’s zijn op het gebied van milieu en sociaal (CO2-uitstoot, klanttevredenheid) en misschien wat minder op bestuursgebied? Of dat bestuurscriteria (compliance, risk en controlframework) al helemaal ingeregeld zijn? Het lijkt ons dat alle drie redelijk in balans moeten zijn. Wat zegt het als men een bepaald milieucriterium pakt, maar dat dat ontzettend laag scoort in het riskassessment van de onderneming? Of als het riskassessment conservatief is aangepakt en geen rekening houdt met de lange termijn (waardecreatie)?
Zaak 2 Rol van milieufactoren bij beloningsbeleid van MKB, grootbedrijf en Familiebedrijf
Op dit moment worden volgens de respondenten milieufactoren bij het familiebedrijf, bij het grootbedrijf en zeker bij het MKB nog niet voldoende meegewogen bij het beloningsbeleid. Het familiebedrijf en grootbedrijf zijn wel bereid daar in de toekomst hard(er) aan te gaan trekken, maar het MKB is een stuk minder enthousiast. Daarmee voldoet MKB aan het beeld dat er op dit moment teveel regels zijn die op ze afkomen en die ze vanwege tijd en kosten niet aan kunnen. Maar dat zou niets hoeven zeggen over de toekomst. Als alleen wettelijke verplichting de reden is, dan zou dat natuurlijk jammer zijn. De vraag is of een commissaris bij een bedrijf in de categorie MKB wel voldoende in het oog heeft dat opdrachtgevers ook kritischer worden? Of wordt alleen gedacht aan prikkels bij variabele beloning? En is bij MKB vaker sprake van een vaste beloning? Of heeft de rvc daar eigenlijk niet zo veel over te zeggen? Wil een rvc meer zijn dan een veredelde adviesraad voor een dga?
Zaak 3 Verschil tussen de woningcorporatie bij meewegen milieufactoren versus andere drie non-profitbenchmarks
Binnen de non-profitsector zien we met de woningcorporatie ook een uitzondering. In elk geval vergeleken met de andere drie non-profitbenchmarks: zorg en welzijn, onderwijs en overige non-profit. In de huidige situatie geven alle vier benchmarks aan dat milieufactoren op dit moment onvoldoende worden meegewogen in het beloningsbeleid en kan alleen de woningcorporatie een klein beetje instemmen dat sociale factoren in enige mate een rol spelen. Bij het meewegen van de governance factoren is het beeld wat positiever. Daarvan geven zowel de woningcorporatie, het onderwijs als de zorg en welzijn aan dat die al een rol spelen. Bij alle vier benchmarks is sprake van urgente veranderwensen bij het meewegen van de milieufactoren. Alleen zien we dat alleen de woningcorporatie dat ook echt wenselijk vindt. Bij onderwijs kan het net op een min of meer wenselijk rekenen, bij zorg en welzijn zitten we een klasse lager. WNT geldt voor al deze sectoren, waarom ligt die wenselijkheid daar dan zo laag? Zeker omdat alle drie wel urgente verbeterwensen hebben voor het formuleren van meetbare duurzaamheidsdoelen.
Zaak 4 De commissaris die tevens lid is van de auditcommissie over de wenselijkheid van de verschillende factoren
Van alle persoonsgebonden benchmarks is de commissaris die lid is van de auditcommissie de enige die bij alle drie de factoren fors lager scoort in de wenselijke situatie dan het basisprofiel. Komt dat doordat ze niet in de andere commissie zitten waar gesproken wordt over de beloningscriteria? Te weinig op de hoogte zijn van wat daar gebeurt? Of is sprake van het tegenovergestelde en heeft ze de nodige kennis van hoe gecompliceerd het kan zijn en hoe ingewikkeld het is om een sluitend systeem van kpi’s te vinden die zinvol zijn en niet tot excessen leiden. Deze benchmark scoort ook het laagst van alle benchmarks als het gaat over het laten meewegen van governance factoren.
Voorzitter rvc lijkt al in groen paradijs te zijn
Zeer bijzonder is dat bij de persoonsgebonden benchmarks de voorzitter van de rvc bij dit onderwerp helemaal geen veranderwensen heeft en de vicevoorzitter juist (mede) koploper is met elf veranderwensen. Dat is toch wel interessant. Communiceren voorzitter en vicevoorzitter wel voldoende met elkaar? Vergeleken met de andere persoonsgebonden benchmarks is de voorzitter een uitzondering. De voorzitter lijkt bijvoorbeeld een van de weinigen te zijn die niet vindt dat de intrinsieke motivatie bij de rvc en bij het senior management voor het voldoen aan ESG beter kan. Het doet ons ook afvragen of de voorzitter, in lijn met onze eerdere onderzoeken, niet wat aan de positieve kant zit? Of is zijn bandbreedte in sommige schalen wat groter dan die van alle overige respondenten?
Wij vragen ons ook af hoe het proces verloopt binnen een rvc als voorzitter en vicevoorzitter zulke uiteenlopende opvattingen hebben. Is er dan voldoende ruimte voor de vicevoorzitter om dit aan te kaarten en neemt de vicevoorzitter die ruimte ook?
Vertrouwen op blauwe ogen of doorvragen?
‘Het belastinggedrag van individuele rvb- en rvb-leden schaadt de reputatie van de organisatie (niet)’. Dat bleek een stelling met de nodige vraagtekens voor de deelnemers. Wat we eigenlijk wilden ophalen, is of commissarissen elkaar en samen met de bestuurders wel eens be(door)vragen naar gedrag op het privégebied van belastingen. Tijdens de interviews bleek dat belangenverstrengeling meestal netjes aan bod kwam, maar toch vaak werd gekoppeld aan alleen (neven)functies. De discussie over deze stelling kreeg met het onderzoek van de NOS en Nieuwsuur1 een aardige duw in de rug. Daarin werd duidelijk dat bestuurders en commissarissen van woningcorporaties zelf (privé) actief zijn als particulier verhuurder. ‘Een deel blijkt hogere huurprijzen te vragen dan de corporaties zelf redelijk vinden. Ook blijken veel van deze corporatiebazen huizen te hebben opgekocht binnen een straal van 15 kilometer waar hun eigen corporatie ook actief is. Soms op 20 minuten fietsen, soms in exact dezelfde gemeente of stadsdeel’.
De resultaten uit ons onderzoek laten zien dat commissarissen maar weinig veranderwensen hebben bij deze stelling en als deze er zijn, ze niet echt relevant zijn. Wel relevant waren enkele opmerkingen tijdens de interviews. Voor woningcorporatiecommissarissen had het Nieuwsuuronderzoek en de reacties van Aedes en de VTW uiteraard op de agenda gestaan. Maar waar de ene rvc dat tot in detail besprak, kwam de andere niet veel verder dan een algemene ‘wie heeft er vastgoedbezit? Niemand? En volgende agendapunt…’. En waar de ene rvc dit gesprek beperkte tot dit onderzoek en dit onderwerp pakte de andere rvc dit aan om een bredere discussie te voeren over integriteit en bijvoorbeeld ook aandelenbezit te delen. We zijn ook de situatie tegengekomen dat bij een grote organisatie met partners alle belastingaangiften van de partners door een aparte afdeling werden gedaan. We hebben tijdens de interviews op tafel gelegd dat het misschien zinvol is dat de controlerend accountant inzage krijgt in de aangiften van de individuele bestuurders en commissarissen en daarover (intern) een verklaring afgeeft. Hierop werd gemengd gereageerd, zowel positief als afwijzend. Soortgelijke reacties kregen we ook op de vraag of het belastinggedrag van individuele leden wel eens ter tafel was gekomen. Meestal niet. Op een enkeling na vonden de meesten het geen probleem om dit te bespreken, maar heel veel enthousiasme klonk ook niet door. Of een collega-commissaris misschien een rekening had op de Guernsey-eilanden of zou kunnen voorkomen in de nieuwe Panama-papers? Er was veel vertrouwen op de blauwe ogen, maar of dat voldoende is…?
1https://nos.nl/nieuwsuur/collectie/13938/artikel/2479920-onderzoek-de-twee-gezichten-in-corporatieland
Proeft commissaris die elders in een rvb zit meer weerstand voor ESG-regels?
Interessant was het om eens te kijken naar de verschillen tussen rvc, rvb en senior management ten aanzien van intrinsieke motivatie versus wettelijke verplichting. In de huidige situatie zien we dat de meerderheid de intrinsieke motivatie bij de drie groepen (net) hoger inschaalt dan de wettelijke verplichting. De commissaris die elders in een rvb zit, is de enige benchmark die dat constant omdraait. Deze persoon denkt dat het voldoen aan ESG op dit moment vooral als een wettelijke verplichting voelt of misschien zou moeten voelen. Wellicht speelt bij deze benchmark mee dat er wel wat meer sense of urgency mag zijn en dan kan de wettelijke verplichting als ‘zwaard van Damocles’ een katalyserende werking hebben. Misschien is dat nodig om een aarzelende rvc mee te krijgen. Waarom is deze commissaris de enige? Is dat omdat deze persoon merkt dat er weerstand is in de eigen organisatie? De internal auditor deelt dit gevoel wat betreft de rvc en rvb, maar niet als het gaat over management. Dat roept de vraag op hoe de boodschap wordt gecommuniceerd en beleeft wordt aan de (tone at) top.
Kan commissaris bij familiebedrijf intrinsieke motivatie van senior management wel goed inschatten?
Bij het hoofdstuk ‘deel werkgeversrol’ hebben we gevraagd of de respondenten vinden dat de rvc voldoende aandacht schenkt aan het senior management en of de rvc voldoende zicht heeft op het functioneren van het senior management als team. Bij beide stellingen zijn er maar een paar benchmarks te vinden die niet vinden dat dat anders moet of beter kan. Tegelijkertijd zien we in dit hoofdstuk dat er best wat benchmarks zijn die vinden dat de intrinsieke motivatie bij het senior management voor het voldoen aan ESG een grotere rol zou mogen spelen. Dat roept de vraag op waar deze laatste veranderwensen op gebaseerd zijn. Op een enkel gesprek per jaar dat de rvc heeft, op hearsay via de rvb op vooronderstellingen van wat de commissaris leest. We kijken hier met name naar de familiebedrijven, het onderwijs en de vicevoorzitter. Zij geven aan dat de rvc meer aandacht moet schenken aan het senior management, maar kunnen op basis van die beperkte aandacht wel concluderen dat het senior management aan intrinsieke motivatie ontbreekt.
Signalen niet-commissarissen
Signaal internal auditor over wenselijkheid drijfveer ESG bij rvc en rvb
Opvallend zijn de scores van de internal auditor als het gaat over de wenselijkheid bij twee stellingen. Beide gaan over de drijfveren voor het voldoen aan ESG en of dat vooral een wettelijke verplichting is. De internal auditor is het duidelijk eens met beide stellingen als het gaat over de rvc en de rvb. En daarmee is de internal auditor een duidelijke uitzondering in vergelijking met de andere benchmarks. Die zitten allemaal een stuk lager. Waarom vindt de internal auditor dat? Is deze van mening dat de rvb en de commissarissen de wettelijke verplichting onvoldoende voelen? Is dit een gevolg van de toegenomen druk op de auditcommissie, maar is de internal auditor verantwoordelijk voor een procescheck met betrekking tot ESG? Wellicht speelt ook mee, dat de internal auditor het gevoel heeft (misschien wel meer dan gevoel) dat de rvb en/of rvc zich onvoldoende realiseren dat de voortgang op dit traject onvoldoende is. En dat de ‘achterstand met de implementatie van de CSRD-rapportage’ niet op tijd kan worden volbracht op een bedrijfsmatig verantwoorde wijze. Wellicht dat in de ‘haast’ om straks alsnog te kunnen rapporteren suboptimale variabelen worden gekozen.
Tegelijk geeft de internal auditor het signaal af dat het voldoen aan ESG bij de rvc wat meer uit de intrinsieke hoek zou mogen komen. Een signaal dat de internal auditors overigens delen met de rvb-leden.
Rvb geeft aan dat rvc en rvb nog meer kunnen spreken over het belastingbeleid van de organisatie
In het verlengde van de eerdere bespiegeling over de persoonlijke financiën kan de rvc ook meenemen dat de rvb een signaal afgeeft dat ze vindt dat ze het belastingbeleid van de organisatie nog wat beter kunnen bespreken dan nu het geval is. Het kan zijn dat zo’n gesprek eigenlijk nooit plaatsvindt of dat het onderwerp ‘belastingen’ alleen in de auditcommissie voorbijkomt. Het zal erg liggen aan de sector waarin de organisatie opereert (btw-vrijstelling bijvoorbeeld) en waarschijnlijk ook aan het aantal rvc-vergaderingen per jaar. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat enkele rvbleden, met name degene die over de grens opereren, meer druk voelen van bijvoorbeeld een Eumedion om de door VNO-NCW opgestelde Tax Governance Code te ondertekenen. Of beter willen presteren op de tax transparency benchmark van VBDO. Winnaar van die prijs was het overigens de belastingrapportage van Philips. De jury prees vooral de vooruitgang, diepgang en kwaliteit van de belastingrapportage van Philips. De jury benoemt verder de uitgebreide country-by-country-rapportage, die expliciet is gekoppeld aan de GRI 207 Tax Standard en die informatie bevat over milieu- en sociale factoren. Verder prijst de jury Philips voor de duidelijke beschrijving van de rol die belastingen spelen binnen haar waardecreatiemodel.1 De vraag is of andere organisaties enkel naar belastingen kijken als financieel-technisch onderwerp of dat men verder kijkt? Relateert men dat bijvoorbeeld aan ESG-criteria of reputatieschade?
1https://www.vbdo.nl/wp-content/uploads/2023/11/Transparency-Benchmark-rapport-2023_def.pdfpag. 82.
Internal auditor als enige echt bezorgd over balans in beloningen binnen organisatie
In de meeste recente Corporate Governance Code heeft de monitoringscommissie wat scherper gekeken naar de berekeningswijze van de beloningsverhoudingen.1 Deze berekeningswijze van de beloningsverhoudingen was door de commissie al opgenomen in het monitoringsrapport over 2019 en is bedoeld om te zorgen voor reflectie over de beloningsverhoudingen in de bestuurskamer en te zorgen dat beloningsverhoudingen vergelijkbaar zijn. Inmiddels is het overzicht dat de Code volgers moet bieden verlengt van één naar vijf jaar. Zie bijvoorbeeld het jaarverslag van Stedin over 2022.2 Onze vraagstelling was net anders, maar had dezelfde essentie: of de beloning tussen de meest en de minst verdienende medewerker voldoende in balans is. Dat is bij de respondenten van onderhavig onderzoek amper een issue zo lijkt het met slechts vier verbeterwensen. Maar één van die verbeterwensen is wel urgent en komt van de internal auditor. Ziet deze iets dat de commissarissen niet zien? Spreekt hier een ander gevoel voor verhoudingen uit? De vraag is of dat wat de rvc redelijk vindt, qua beloningen en declaraties, ook zo gevoeld wordt door de medewerkers en andere stakeholders. Een recent voorbeeld hoe dat ook anders kan worden beleefd, zien we bij Maastricht UMC.3 Daar ontstond commotie over de hoge bedragen die de top in 2022 en 2023 heeft uitgegeven aan buitenlandse congressen, dure hotels, nota’s voor restaurants, luxe uitjes en tientallen ritten met privéchauffeurs en taxi’s en waarbij de reisplannen steeds vooraf werden gedeeld met de raad van toezicht.4
1 https://www.mccg.nl/publicaties/publicaties/2022/12/20/verantwoording-van-actualisatie-van-de-code-2022, pag 17.
2 https://jaarverslag.stedingroep.nl/2022/xmlpages/resources/TXP/Stedin/financieel_groep_verslag_2022/pdf/Stedin_Groep_Jaarverslag_2022.pdf, pag. 142-143.
3 https://www.skipr.nl/nieuws/ni...
4 De raad van toezicht heeft daar inmiddels op gereageerd: https://www.skipr.nl/nieuws/to...