Spring naar inhoud

In gesprek met de (C)OR en deel cultuur

8.1 Wenselijke situatie

Samenvatting

Wenselijke situatie
Het basisprofiel is het er bijna zeer mee eens dat er in de organisatie voldoende ruimte moet zijn voor innovatie. Spreken met de (c)or over het inclusiviteitsbeleid en het diversiteitsbeleid van de organisatie is volgens het basisprofiel wenselijk. Dat geldt ook voor het spreken over het gedrag in de organisatie en over voor het in de organisatie voldoende ruimte zijn voor het maken van fouten. Het door de rvc spreken met de (c)or over de bedrijfscultuur van de organisatie vindt het basisprofiel min of meer wenselijk.
Wenselijkheid van de zes stellingen wordt breed gedeeld. Geen enkele benchmark scoort lager dan een 3.5. Circa driekwart van de scores heeft een 4.0 of hoger (= duidelijk of volstrekt mee eens). Een kwart valt in de klasse ‘min of meer mee eens’ (3.5 ≤ score < 4.0).
In het algemeen vinden we de hogere mate van instemming structureel bij de stellingen over de ruimte voor innovatie en voldoende ruimte voor het maken van fouten. Daarbij scoort de ruimte voor innovatie bij iedereen een 4.0 of hoger.

Veranderwensen
Voor alle benchmarks gezamenlijk is het veranderpercentage 23 procent. Dat is laag. Alle veranderwensen die er zijn, zijn tegelijk ook verbeterwensen. Vooral het onderwijs heeft veel verbeterwensen.

De meest gedeelde veranderwens, bij acht van de zeventien benchmarks, gaat over het voldoende aanwezig zijn van ruimte in de organisatie voor innovatie. Twee van die acht zijn urgent en komen vanuit de organisatie zelf, namelijk de directie en de internal auditor.

Huidige situatie
Bij het basisprofiel vallen alleen de stellingen over het voldoende spreken door de rvc met de (c)or over het diversiteits- en inclusiviteitsbeleid in de klasse ‘duidelijk mee eens’ qua instemming. De andere vier stellingen zitten een klasse lager (min of meer mee eens). Het onderwijs scoort bij de vier gespreksonderwerpen een stuk lager, het MKB bij drie van de vier. De jongere commissaris daarentegen stemt bij alle zes de stellingen juist veel meer in dan het basisprofiel.

Onderzoeksvraag

De rvc spreekt voldoende met de (c)or over:
    • Diversiteitsbeleid van de organisatie
    • Inclusiviteitsbeleid van de organisatie
    • Gedrag in de organisatie
    • Bedrijfscultuur van de organisatie

    • In onze organisatie is voldoende ruimte om fouten te maken.
    • In onze organisatie is voldoende ruimte voor innovatie.

Dit is de eerste keer dat we deze stellingen voorleggen en daarom is er geen vergelijkingsmateriaal uit eerdere jaren. We hebben de 5-puntsschaal gebruikt met 1 = volstrekt oneens, 2 = oneens, 3 = deels oneens/deels eens, 4 = eens en 5 = volstrekt mee eens.

Basisprofiel

.

Wenselijkheid het laagst bij bespreken van bedrijfscultuur met (c)or

Gespreksonderwerpen tussen de rvc en de (c)or

Spreken met de (c)or over het inclusiviteitsbeleid en het diversiteitsbeleid van de organisatie is wenselijk. Dat geldt ook voor het spreken over het gedrag in de organisatie.

Het door de rvc spreken met de (c)or over de bedrijfscultuur van de organisatie vindt het basisprofiel min of meer wenselijk.

.

Vooral ruimte voor innovatie wenselijk

Ruimte in organisatie om fouten te maken en voor innovatie

Het basisprofiel is het er bijna zeer mee eens dat er in de organisatie voldoende ruimte moet zijn voor innovatie. Mee eens gaat in de wenselijke situatie op voor het in de organisatie aanwezig zijn van voldoende ruimte voor het maken van fouten.

.

Breed draagvlak voor genoemde stellingen

Draagvlak: hoe breed delen de benchmarks de wenselijkheid?

Vrij breed. Geen enkele benchmark scoort lager dan een 3.5. Ongeveer driekwart van de scores heeft een 4.0 of hoger (= duidelijk of volstrekt mee eens). Een kwart valt in de klasse ‘min of meer mee eens’ (3.5 ≤ score < 4.0).

Vanwege te weinig waarnemingen hebben we bij deze vraag de secretaris niet meegenomen. Fam, DIR en IA zijn niet meegenomen bij de stellingen over de (c)or vanwege dezelfde reden.

Ruimte voor innovatie zeer breed wenselijk gevonden

In het algemeen vinden we de hogere mate van instemming structureel bij de stellingen over de ruimte voor innovatie en voldoende ruimte voor het maken van fouten. Daarbij scoort de ruimte voor innovatie bij iedereen een 4.0 of hoger.

De wenselijkheid van de vier gespreksonderwerpen met de (c)or ligt gemiddeld iets lager dan die bij de twee eerder genoemde stellingen.

 

Beeld van de afzonderlijke benchmarks bij wenselijke situatie

  • In onze organisatie is voldoende ruimte om fouten te maken
    Zowel de bedrijfs- als de persoonsgebonden benchmarks hebben bijna allemaal dezelfde mening als het basisprofiel. Geen van de benchmarks laat een materiële afwijking zien van het basisprofiel.
  • In onze organisatie is voldoende ruimte voor innovatie
    Ook hier zijn zowel de bedrijfs- als de persoonsgebonden benchmarks bijna allemaal dezelfde mening toegedaan als het basisprofiel. Deze keer is het de vicevoorzitter die positief afwijkt en het er volstrekt mee eens is.
  • De rvc spreekt voldoende met de (c)or over diversiteitsbeleid van de organisatie
    Negen van de dertien benchmarks stemmen in met het basisprofiel. Bij de bedrijfsbenchmarks wijken GB en MKB wat af en komen qua instemming in een respectievelijk hogere en lagere klasse terecht.Bij de persoonlijke benchmarks wijken AC en Merv negatief af. Beide scoren in een klasse lager qua wenselijkheid om dit te bespreken met de (c)or.
  • De rvc spreekt voldoende met de (c)or over inclusiviteitsbeleid van de organisatie
    Hier geldt bijna hetzelfde als bij het diversiteitsbeleid hierboven.Alleen stemt Merv nu wel in met het basisprofiel.
  • De rvc spreekt voldoende met de (c)or over gedrag in de organisatie
    Nagenoeg alle benchmarks vinden het net als het basisprofiel wenselijk dat de rvc voldoende met de (c)or moet spreken over het gedrag in de organisatie.Er zijn geen materiële afwijkingen.
  • De rvc spreekt voldoende met de (c)or over bedrijfscultuur van de organisatie
    Ook ten aanzien van het spreken over gedrag met de (c)or verschillen de andere benchmarks weinig van mening met het basisprofiel. Alleen GB en ONP vinden het met een materieel verschil duidelijk wenselijk.

We concentreren ons hier op verschillen in score >0.3 met het basisprofiel en die tevens leiden tot een andere klasse van instemming. Een dergelijk verschil noemen we een materieel verschil.

8.2 Veranderwensen en huidige situatie

Basisprofiel

Bij het basisprofiel zijn er bij deze zes stellingen geen veranderwensen.

Andere benchmarks

Voor alle benchmarks gezamenlijk is het veranderpercentage met 23 procent laag. De bedrijfsbenchmarks bij elkaar hebben bij 30 procent van de stellingen een veranderwens. De profit- en non-profitsector hebben met respectievelijk 20 procent en 37 procent procentueel gezien wat uiteenlopende veranderwensen.

Voor de persoonsgebonden benchmarks is het overall veranderpercentage 17 procent.

Benchmarks en veranderwensen

OW meeste verbeterwensen

OW gaat ruim aan kop bij de bedrijfsbenchmarks met vijf veranderwensen. Bij de persoonsgebonden benchmarks zijn dat de minder ervaren commissaris en VR met elk twee.

DIR en IA delen urgente wens voor meer ruimte voor innovatie

OW is de enige commissarissenbenchmark met een urgente veranderwens. Dit betreft het praten door de rvc met de (c)or over het inclusiviteitsbeleid van de organisatie. DIR en IA hebben een gedeelde urgente verbeterwens bij de ruimte voor innovatie in de organisatie.

Gedeelde veranderwensen

Meer ruimte voor innovatie wenselijk

De stelling met de meeste veranderwensen is de ruimte voor innovatie in de organisatie. Bij acht van de zeventien benchmarks met voldoende waarnemingen is daarvan sprake. Op enige afstand volgt het spreken door de rvc met de(c)or over het gedrag in de organisatie met vier benchmarks. Opvallend is dat dit laatste onder andere OW betreft en ONP. Bij deze laatste twee benchmarks is ook het gesprek over de bedrijfscultuur een verbeterwens.

Huidige situatie

.

Diversiteit en inclusiviteit voldoende op rvc-or-agenda bij basisprofiel

Basisprofiel

Bij het basisprofiel vallen alleen de stellingen over het voldoende spreken door de rvc met de (c)or over het diversiteits- en inclusiviteitsbeleid in de klasse ‘duidelijk mee eens’ qua instemming.

In de klasse ‘min of meer mee eens’ (3.5 ≤ score < 4.0) bevinden zich de andere vier stellingen. Die zitten alle vier tegen de bovengrens van deze klasse.

 

In de huidige situatie is alleen bij de stelling over het praten met de (c)or over het inclusiviteitsbeleid van de organisatie meer dan 50 procent van de benchmarks het minimaal duidelijk eens.

In totaal voor 22 procent van de opties score ≥ 4.0

In totaal heeft 22 procent van de opties een score 4.0. In de wenselijke situatie is dat 54 procent. Wanneer we de grens bij een score van 3.5 leggen, scoort in de huidige situatie 67 procent boven die grens tegen 71 procent in de wenselijke situatie.

Lagere scores dan 3.2 (deels eens/deels oneens tot en met volstrekt oneens) komen niet voor.

.

Veel minder instemming bij bedrijfsbenchmarks over vier gespreksonderwerpen rvc-(c)or. Vooral MKB en OW lager.

Andere benchmarks

Bij de bedrijfsbenchmarks hebben zowel de profitsector als de non-profitsector de nodige afwijkingen van het basisprofiel. Die afwijkingen concentreren zich, op één na, allemaal rond de gesprekken met de (c)or. Verder zijn ze allemaal negatief, wat betekent dat er minder instemming is met de stelling dan bij het basisprofiel. OW scoort bij alle vier lager dan het basisprofiel, het MKB bij drie en Zorg en ONP elk bij twee. Bij OW betekent dat vooral het gesprek met de (c)or over het inclusiviteitsbeleid van de organisatie en over het gedrag in de organisatie maar net op instemming kan rekenen.

Bij de persoonsgebonden benchmarks valt vooral Jong op. Die scoort bij alle zes de stellingen hoger dan het basisprofiel.

Bij de niet-commissarissen zijn alleen de stellingen voorgelegd over de ruimte in de organisatie voor het maken van fouten en voor innovatie. Met name op die tweede stellingen scoren DIR en IA wat lager (3.4 en 3.3).

8.3 Enige bespiegelingen/vragen/kanttekeningen

Spreken met (c)or over diversiteitsbeleid is een gegeven

Slechts twee benchmarks (MKB en onderwijs) hebben een verbeterwens bij het spreken over het diversiteitsbeleid met de (c)or. Bij alle andere benchmarks met voldoende waarnemingen gebeurt dat in voldoende mate. Na alle aandacht die er voor dit thema is geweest de afgelopen jaren is dat misschien niet zo vreemd. Zowel naar de diversiteit in de organisatie als naar de diversiteit in de boardroom is veel onderzoek gedaan de afgelopen jaren. Voor een goed onderling gesprek blijft het desondanks belangrijk dat men goed voor ogen heeft wat men met diversiteit wil bereiken en of men van elkaar vindt dat dat is bereikt. Het enige opvallende uit ons onderzoek, naast de verbeterwens bij het onderwijs, is waarom de commissaris die tevens lid is van de auditcommissie relatief laag scoort bij de wenselijkheid om het diversiteitsbeleid met de (c)or te bespreken. Ziet deze commissaris daar het nut niet zo van in?

Is kennis bij commissaris van bedrijfscultuur voldoende om in te schatten of er ruimte is voor het maken van fouten?

Er zijn slechts twee benchmarks (Zorg en de jongere commissaris) die het in de huidige situatie duidelijk eens zijn dat ze voldoende met de (c)or praten over de bedrijfscultuur in de organisatie. Voor het spreken over het gedrag in de organisatie blijft alleen de jongere commissaris over. Dat roept wat vraagtekens op. Zijn deze twee zo (te?) zeker van hun zaak of twijfelt (terecht?) de rest of het wel voldoende is? Spreken met en over hoeft niets voor te stellen. Als het een agendapunt is geweest in de (c)or dan is het daarmee besproken. Dit zegt evenwel niets over de kwaliteit en de tijd daaraan besteed. Het kan ook zijn dat men het relatief minder belangrijk vindt en het misschien als een verplicht riedeltje beschouwt. Er zijn niet veel verbeterwensen bij deze twee stellingen, slechts zes in totaal. Blijkbaar is men over het algemeen dus wel tevreden. Maar als men zo tevreden is waarom stemt men dan niet in grotere mate in met de stellingen in de huidige situatie? En hoe kan men wel zeker zijn over voldoende ruimte voor het maken van fouten in de organisatie, maar niet tevreden zijn dat er voldoende met de (c)or gesproken wordt over het gedrag in de organisatie (@vrouwelijke commissaris). Of andersom: dat men vindt dat er een verbeterwens ligt bij het met (c)or spreken over het gedrag in de organisatie, maar geen verbeterwens hebt bij het voldoende ruimte hebben in de organisatie voor het maken van fouten. Het lijkt ons dat deze stellingen aan elkaar verbonden zijn. Of geeft een gesprek met (c)or de rvc over de bedrijfscultuur en over het gedrag in de organisatie de rvc geen signalen over de ruimte voor het maken van fouten in de organisatie?
Het is natuurlijk niet de enige manier waarop een rvc signalen kan oppikken over gedrag en bedrijfscultuur. Het pleit er wel voor dat naast het reguliere overleg tussen de rvc via Artikel 24 van de WOR ook gesprekken plaatsvinden zonder de rvb erbij. Een bilateraal overleg tussen voorzitters (c)or en rvc bijvoorbeeld. Misschien over de ervaren tone at the top en of de (c)or zich ook kan vinden in de stelling dat er ruimte is voor het maken van fouten?

Voert rvc voldoende gesprek over en creëert hij voldoende ruimte voor innovatie in organisatie?

Van de zes hier opgenomen stellingen is die over de ruimte voor innovatie degene met de meeste problemen volgens de respondenten. Degene die het dichtst bij het vuur zitten, de rvb en de internal auditor, hebben daar urgente verbeterwensen (en de laagste score in de huidige situatie). En ook sommigen die er van een afstand naar kijken, vinden dat het beter kan. We hebben het dan over de vrouwelijke commissaris, de minder ervaren commissaris, de commissaris die elders in de rvb zit en de vicevoorzitter van de rvc bij de persoonsgebonden benchmarks.
De eerste vraag is hoe de commissaris tot die constatering komt? Is er sprake van weinig vernieuwing in de strategische plannen van de rvb? Is sprake van te weinig creativiteit en ondernemerschapszin bij de rvb en management? Zijn er wel kpi’s vastgesteld, waarover ook naar de buitenwacht wordt gerapporteerd (zoals DSM al decennia heeft gedaan en doet)? En spelen deze kpi’s ook een rol bij de beoordeling en honorering van rvb en andere medewerkers van de organisatie? Wordt niet of zelden gerapporteerd over innovaties? Of is het gebaseerd op het onderbuikgevoel van de commissaris?
In het verlengde hiervan doemt een tweede vraag op: denkt de rvc onderling hetzelfde over wat innovatie precies betekent? Is daar een goed gesprek over gevoerd? In de veronderstelling dat innovatie niet zelden een (zeer) lange doorlooptijd kent, achten wij het niet uitgesloten dat dit onderwerp onvoldoende concreet aan de orde komt. Daarbij speelt de in een eerder onderzoek gevonden meest gehanteerde planningshorizon van een periode van 1 tot 5 jaar door ons hoofd.
En de derde vraag is: wat kan de commissaris zelf doen om meer ruimte te creëren? Vragen, vragen, vragen. Naar visie en naar strategie. Hoe noodzakelijk is innovatie voor het bestaansrecht en de toekomst van het bedrijf? Wat doet de concurrentie op dit gebied en wat levert ze dat op? Naar wat er gebeurt in de organisatie, naar ideeën van de rvb, naar ideeën van collega commissarissen. En ontdekken, ontdekken, ontdekken. Bij bedrijfsbezoeken in de organisatie, bij bedrijfsbezoeken buiten de organisatie, bij gesprekken met stakeholders. Een kpi eraan verbinden? En ruimte te laten om fouten te maken, ook als rvb. Kortom, stimulering. En nog, weliswaar niet limitatief, maar de laatste vraag: wat zijn de kosten (de zogenaamde opportunity costs) van niet, onvoldoende of te laat aan innovatie doen?

Waarom is de jongere commissaris zo positief over de vier gespreksonderwerpen met de (c)or?

We kunnen het niet verklaren, maar opvallend is het wel: de scores van de jongere commissaris in de huidige situatie. De 55 respondenten die in deze benchmark vallen zijn allemaal erg positief over de huidige situatie met betrekking tot de 6 stellingen en hebben geen verbeterwensen. Het zou kunnen dat, negatief, de jongere commissaris die genoemde onderwerpen op de agenda van het rvc-or-overleg heeft zien staan. Of de voordrachtscommissaris of de commissaris die vanuit de rvc het contact onderhoudt met de or, heeft daarover kort verslag gedaan. Dat zegt allemaal nog niets over het voldoende zijn van dat gesprek met de (c)or over bedrijfscultuur, gedrag, diversiteits- en inclusiviteitsbeleid. Niet onderzocht, maar zit de jongere commissaris zelf aan tafel met de (c)or?

Is fouten mogen maken aannemelijk bij ‘slecht’ gedrag of een ‘verkeerde’ bedrijfscultuur?

In eerste instantie denkt men gelijk aan de resultaten van een periodiek medewerkersonderzoek waaruit moet/kan blijken hoe het is gesteld met het gedrag in en de bedrijfscultuur van een organisatie. Een dergelijk onderzoek is niet bij elke organisatie standaard en ook niet elk jaar. Een tweede kanttekening, voor zover het medewerk(st)ers in Nederland betreft: hoe representatief is een dergelijk onderzoek als je weet dat we in Nederland circa 2 miljoen laaggeletterden hebben, die naar rato ook in diverse organisaties werkzaam zijn. En een derde kanttekening: doet een bedrijf een dergelijk onderzoek zelf of doet een onafhankelijke derde met specialisatie op dit terrein dit? En tenslotte niet onbelangrijk: wat wordt er precies onderzocht?

Aannemende dat het medewerkersonderzoek goed en betrouwbaar is en jaarlijks wordt gedaan, hoe komt dit aan de orde in de rvc? Wijdt men hier een apart agendapunt aan in de voltallige rvc? Presenteert een directeur HR de resultaten en geeft een toelichting of doet de ceo dat? Of wordt het onderwerp alleen in een HR-commissie besproken?
Volstaat een rvc met alleen de informatie uit een dergelijk onderzoek of worden er geregeld ook gesprekken gevoerd in de organisatie om complementair aan de bedoelde rapporten ook zelf gevoel en/of inkleuring te krijgen bij de bevindingen? En tenslotte is de (c)or wel het meest geëigende orgaan om deze onderwerpen te bespreken? Of is het en en?